Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
(opposante in verzet, eiseres in beroep),
Rechtbank Den Haag
Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en stelde een termijn van zestien weken voor het alsnog nemen van een besluit. Hiertegen stelde opposante verzet in, stellende dat zij inmiddels is gehoord en een kortere beslistermijn van acht weken passend is.
De rechtbank oordeelt dat het eerdere oordeel dat het beroep kennelijk gegrond was zonder zitting onterecht was, omdat niet was betrokken dat opposante inmiddels is gehoord. Het verzet wordt daarom gegrond verklaard en de eerdere uitspraak vervalt. De rechtbank hervat het onderzoek en doet vervolgens uitspraak op het beroep.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden, erkent de capaciteitsproblemen en coronacrisis als bijzonder geval, maar acht een termijn van acht weken na het laatste gehoor onrealistisch. Daarom wordt een termijn van acht weken na de uitspraak redelijk geacht. Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €7.500, en in de proceskosten van opposante.
Uitkomst: Het verzet en beroep worden gegrond verklaard, verweerder wordt opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd.