ECLI:NL:RBDHA:2020:11509

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 oktober 2020
Publicatiedatum
13 november 2020
Zaaknummer
NL20.17605
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 34 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig besluit op asielaanvraag en oplegging dwangsommen

Eiser diende op 15 juni 2019 een asielaanvraag in. Nederland verzocht Griekenland om informatie op basis van de Dublinverordening, waarna op 24 juli 2019 eiser werd opgenomen in de nationale procedure. De wettelijke beslistermijn van zes maanden, ingaande op 24 juli 2019, werd overschreden zonder dat verweerder een besluit nam.

Eiser stelde verweerder op 1 juli 2020 rechtsgeldig in gebreke en startte vervolgens beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat verweerder een bestuurlijke dwangsom verbeurt wegens de overschrijding van de beslistermijn.

Vanwege achterstanden bij de IND zijn bijzondere omstandigheden aanwezig, waardoor de rechtbank verweerder oplegt binnen acht weken na de uitspraak het eerste gehoor te houden en binnen acht weken daarna een besluit te nemen, met een maximale termijn van zestien weken na de uitspraak. Bij overschrijding verbeurt verweerder een dwangsom van €100 per dag, met een maximum van €7.500.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder tot betaling van een dwangsom van €1.442 voor de reeds verstreken periode van overschrijding en tot vergoeding van de proceskosten van eiser van €262,50.

De uitspraak is gedaan door rechter B.F.Th. de Roos en griffier N.M.L. van der Kammen en is openbaar bekendgemaakt op 30 oktober 2020.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt dwangsommen en termijnen op aan verweerder voor het nemen van een besluit op de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.17605

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. C.G. Matze),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 29 september 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 15 juni 2019 een asielaanvraag ingediend. Nederland heeft Griekenland om informatie verzocht op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening. [1] Op 9 juli 2019 hebben de Griekse autoriteiten op dit verzoek gereageerd en de onderzoeksresultaten overgelegd. Vanaf 24 juli 2019 is eiser opgenomen in de nationale procedure.
2. Uit artikel 42, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000 volgt dat de termijn voor het
beslissen op een asielaanvraag, nadat is onderzocht of de aanvraag mogelijk niet in
behandeling wordt genomen, gaat lopen op het moment waarop is komen vast te staan dat
Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. In
dit geval is dat de dag dat eiser is opgenomen in de nationale procedure, te weten 24 juli 2019. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de beslistermijn zes maanden. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen gebruik
heeft gemaakt van de mogelijkheden in het vierde en het vijfde lid om deze termijn te
verlengen. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 24 januari 2020 een beslissing had moeten nemen.
3. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is verstreken zonder dat een
beslissing op de aanvraag is genomen. Eiser heeft verweerder op 1 juli 2020
rechtsgeldig in gebreke gesteld, zoals bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
Hierna zijn twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld. Het beroep is
daarom kennelijk gegrond.
4. Op grond van artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb verbeurt verweerder
een dwangsom voor elke dag dat hij in gebreke is, met een maximum van 42 dagen en
€ 1.442. In dit geval is de bestuurlijke dwangsom verbeurd voor het maximale aantal dagen.
Verweerder heeft dit ook bevestigd in zijn verweerschrift van 12 oktober 2020.
5. De rechtbank is van oordeel dat, vanwege de bij de IND ontstane achterstanden, sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Omdat de asielprocedure van eiser nog niet is begonnen, zal de rechtbank, overeenkomstig een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bepalen dat verweerder binnen acht weken vanaf bekendmaking van de uitspraak het eerste gehoor moet afnemen en binnen acht weken na het eerste gehoor een beslissing op de aanvraag moet nemen, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak. [2]
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb , in overeenstemming met het landelijk beleid, van €100 per dag dat verweerder in gebreke blijft de uitspraak na te leven, met een maximum van €7.500.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 262,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van een dwangsom met het bedrag van € 1.442 (veertienhonderdtweeënveertig euro) aan eiser;
  • bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden het eerste gehoor afneemt en binnen acht weken na het eerste gehoor een besluit aan eiser bekendmaakt, in ieder geval binnen zestien weken na de uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100 (honderd euro) aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 262,50 (tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig eurocent).
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 604/2013.
2.Van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560.