ECLI:NL:RBDHA:2020:11110
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wegens niet-beschermenswaardig familieleven
Eisers, afkomstig uit Turkije en sinds 1997 in Nederland verblijvend, hebben hun eerder verleende asielvergunningen en Nederlanderschap met terugwerkende kracht verloren vanwege onjuiste gegevensverstrekking. Zij verzoeken om een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro vanwege hun familieleven met kinderen en kleinkinderen die rechtmatig in Nederland verblijven.
De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen en een inreisverbod opgelegd. Eisers beroepen zich op een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie met hun meerderjarige kinderen en hechte banden met hun kleinkinderen. De rechtbank oordeelt dat de afhankelijkheid niet zodanig is dat eisers niet zelfstandig kunnen functioneren en dat de banden met kleinkinderen niet beschermenswaardig zijn.
In de belangenafweging weegt het belang van de Nederlandse overheid, mede vanwege de intrekking van verblijfsvergunningen en Nederlanderschap, zwaarder dan het belang van eisers. Eisers hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat medische zorg in Turkije ontoegankelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het opgelegde inreisverbod is niet in strijd met artikel 8 EVRM Pro.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM wordt ongegrond verklaard.