ECLI:NL:RBDHA:2020:11105
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens verlopen Duitse verblijfsvergunning
Eiser, met de Syrische nationaliteit, diende op 1 augustus 2020 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder verklaarde deze aanvraag niet-ontvankelijk op grond van het feit dat eiser op 30 maart 2015 internationale bescherming had gekregen in Duitsland. Eiser betoogde dat zijn verblijfsvergunning in Duitsland op 3 juli 2020 was verlopen en dat hij sinds 31 maart 2019 niet meer in Duitsland verbleef, waardoor de Duitse autoriteiten hem niet konden informeren over eventuele intrekking van zijn bescherming.
De rechtbank oordeelde dat het Eurodac-onderzoek van 1 augustus 2020 actueel en voldoende duidelijk was om aan te nemen dat eiser nog steeds internationale bescherming in Duitsland geniet. De rechtbank wees erop dat de Duitse autoriteiten verplicht zijn om de vermelding van internationale bescherming te verwijderen als deze is ingetrokken, wat niet het geval was. De enkele omstandigheid van het verlopen van de verblijfsvergunning leidt niet tot het vervallen van de bescherming.
Eiser stelde ook dat hij bij terugkeer in Duitsland risico loopt op discriminatie in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest, maar de rechtbank vond deze stelling onvoldoende concreet. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en eiser moet eventuele klachten over niet-naleving van internationale verplichtingen in Duitsland zelf aanvechten.
Ten slotte vond de rechtbank dat verweerder de opgelegde vertrektermijn voldoende had gemotiveerd. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.