ECLI:NL:RBDHA:2020:1104

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2020
Publicatiedatum
12 februari 2020
Zaaknummer
AWB 19/7107
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 ParticipatiewetArt. 16 VreemdelingenwetArt. 4:84 Algemene wet bestuursrechtArt. 4 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 7 lid 1 onder c Gezinsherenigingsrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan middelenvereiste bij gezinshereniging

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. De aanvraag betrof verblijf als familie- of gezinslid bij haar echtgenoot, de referent.

De kern van het geschil betreft de vraag of de referent in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste, dat vereist dat de referent zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt. De referent ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet en is niet volledig ontheven van de arbeidsinschakelingsplicht, een voorwaarde voor vrijstelling.

De rechtbank oordeelt dat de referent niet voldoet aan de cumulatieve voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire en het beleid van verweerder. Ook is geen aanleiding om af te wijken van dit beleid. De stelling van eiseres dat het beleid in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn wordt verworpen omdat het beleid een evenwichtige belangenafweging bevat.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 21 januari 2020.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 19/7107

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2020 in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1985, van Marokkaanse nationaliteit,eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. E.J. Joosten),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. El Hajoui).

Procesverloop

Bij besluit van 20 maart 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij [A] (referent)” afgewezen.
Bij besluit van 27 augustus 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op 13 december 2018 heeft referent ten behoeve van eiseres, zijn echtgenote, een mvv-aanvraag ingediend.
2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit – samengevat – ten grondslag gelegd dat referent niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan en evenmin is vrijgesteld van dit zogenoemde middelenvereiste.
3. Het is niet is in geschil dat referent in deze procedure niet voldoet aan de voorwaarde dat bij zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan. Hij ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
4. Het gaat in deze zaak om de vraag of referent voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste. Verweerder verleent die vrijstelling onder andere als de referent blijvend niet in staat is aan de plicht tot arbeidsinschakeling te voldoen. Verweerder neemt in ieder geval aan dat de referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 van Pro de Pw te voldoen als de referent voldoet aan de voorwaarden dat (1) de referent vijf jaar door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw, volledig is ontheven van de verplichting bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw, (plicht tot arbeidsinschakeling) en (2) gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent is niet binnen één jaar te voorzien. Deze voorwaarden staan in paragraaf B7/2.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarin verweerder zijn beleid over dit onderwerp heeft staan. Om voor vrijstelling in aanmerking te komen moet aan beide voorwaarden worden voldaan.
5. De plicht tot arbeidsinschakeling bestaat volgens artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw, uit drie onderdelen: het verkrijgen, aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV).
6. Eiseres voert aan dat de vrijstelling van de sollicitatieverplichting in 2013, in het licht van wat over eiser is gerapporteerd door de afdeling Werk en inkomen van de gemeente Utrecht, in wezen neerkomt op een volledige ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling.
7. Deze beroepsgrond treft geen doel. Uit de beschikking van 12 april 2013 (beschikking verplichtingen) blijkt dat de referent in 2013 weliswaar is vrijgesteld van zijn sollicitatieverplichting, maar expliciet niet van de verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en zich als werkzoekende te registreren. Verweerder heeft daaruit terecht de conclusie getrokken dat de referent niet volledig is ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Referent is immers slechts gedeeltelijk ontheven van die verplichting, namelijk voor het
verkrijgenvan algemeen geaccepteerde arbeid. Gelet op de tekst van artikel 9, eerste lid, onder a, van de Pw, is dit niet (innerlijk) tegenstrijdig, zoals eiseres betoogt. Uit de rapportage van de afdeling Werk en inkomen over de periode van 2013 tot 2017 blijkt verder niet dat het de bedoeling was dat eiser eigenlijk een volledige ontheffing moest krijgen in plaats van een gedeeltelijke ontheffing.
8. Eiseres voert verder aan dat uit de stukken valt af te leiden dat het evident is dat referent nooit meer zal gaan werken.
9. Ook dit betoog volgt de rechtbank niet. Uit de rapportage van de afdeling Werk en inkomen valt niet af te leiden dat vanaf 2013 het standpunt is ingenomen dat eiser geen arbeidsvermogen had of nimmer meer aan het werk zal komen. Uit de beschikking van 30 juni 2017 blijkt voor het eerst dat referent tijdelijk volledig is ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Eenzelfde ontheffing is aan referent in 2018 en 2019 verleend. Daaruit volgt dat de referent niet voldoet aan de voorwaarde dat hij vijf jaar op grond van artikel 9, tweede lid, van de Pw, volledig is ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling.
10. De vraag of voldaan is aan de tweede voorwaarde hoeft niet te worden beantwoord, omdat aan de eerste voorwaarde niet is voldaan en verweerder alleen vrijstelling van het middelenvereiste verleent als aan beide voorwaarden is voldaan. De tweede voorwaarde is verder alleen van belang als vaststaat dat referent al vijf jaar volledig is ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling.
11. In verweerders beleid, paragraaf B7/2.1.1, van de Vc, staat in welk geval ‘in ieder geval’ wordt aangenomen dat referent blijvend niet in staat is om aan de wettelijke verplichting tot arbeidsinschakeling conform artikel 9 van Pro de Pw te voldoen. Eiseres is van mening dat daarin ruimte ligt om voor het geval van referent een uitzondering te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat in bezwaar is aangevoerd geen aanleiding vormt om een uitzondering te maken op de beleidsregels.
12. Verweerder heeft verder kunnen beslissen om niet af te wijken van zijn beleid op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat in het bestreden besluit terecht wordt geconstateerd dat die (in de bezwaarprocedure) niet zijn aangevoerd.
12. Verder voert eiseres aan dat uit het bestreden besluit moet blijken dat sprake is van een adequate belangenafweging van alle relevante feiten en omstandigheden van betrokkenen. Daarnaast dient een evenredigheidsbeoordeling plaats te vinden. Met het bestreden besluit wordt gezinshereniging voor eisers te moeilijk dan wel feitelijk onmogelijk gemaakt. Dit is in strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn.
12. Dit betoog volgt de rechtbank niet. Het beleid van verweerder dat in paragraaf B7/2.1.1 van de Vc staat is niet onredelijk. Als verweerder op basis van dat beleid beoordeelt of een referent in aanmerking komt voor vrijstelling van het middelenvereiste geeft hij in beginsel een adequate invulling aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie op basis van artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn aan de behandeling van de aanvraag stelt. [1] Verweerder is gehouden te handelen overeenkomstig zijn eigen beleid, tenzij dat op grond van artikel 4:84 van Pro de Awb wegens bijzondere omstandigheden gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met dat beleid te dienen doelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerders beleid een goed evenwicht bereikt tussen aan de ene kant het recht op gezinshereniging [2] en aan de andere kant de mogelijkheid om aan gezinshereniging inkomensvoorwaarden te stellen om te voorkomen dat een beroep op het systeem van sociale bijstand moet worden gedaan [3] . Verweerder heeft geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het beleid op basis van de omstandigheden die eiseres heeft geschetst over het niet kunnen voldoen aan het middelenvereiste. Deze omstandigheden zijn besproken bij de beoordeling van de vraag of voldaan wordt aan de voorwaarden voor vrijstelling van het middelenvereiste. De rechtbank overweegt verder dat gezinshereniging in het geval van eisers wel mogelijk wordt als referent vijf jaar volledig is ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling en als na die vijf jaar kan worden vastgesteld dat gedeeltelijke of volledige arbeidsinschakeling van de referent niet binnen één jaar is te voorzien. De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar stelling dat door het tegenwerpen van het middelenvereiste, ook niet in haar geval, afbreuk wordt gedaan aan het doel van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Het beroep is ongegrond.
16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1648
2.Artikel 4 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn.
3.Artikel 7, lid 1, onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.