ECLI:NL:RBDHA:2020:10902
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep asiel buiten behandeling gesteld wegens vertrek met onbekende bestemming
Eiser, van Guinese nationaliteit, had een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat eiser op 24 december 2019 met onbekende bestemming uit het asielzoekerscentrum was vertrokken. Eiser stelde dat hij pas op 3 juli 2020 kennis had genomen van het bestreden besluit en dat het beroep daarom tijdig was ingediend. De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte volstond met terinzagelegging van het besluit, terwijl er een gemachtigde bekend was, en stelde de datum van bekendmaking op 3 juli 2020, waardoor het beroep ontvankelijk was.
Vervolgens onderzocht de rechtbank of eiser nog belang had bij de procedure. Verweerder stelde dat eiser op 29 juli 2020 met onbekende bestemming was vertrokken (mob). Eiser voerde aan dat er geen bewijs was van verwijdering en dat hij nog steeds bescherming nodig had, gezien een nieuwe asielaanvraag op 27 juni 2020. De rechtbank concludeerde op basis van een print uit het computersysteem dat eiser zelfstandig zijn woonruimte had verlaten en dat de mob-melding voldoende was om aan te nemen dat eiser vertrokken was.
Omdat eiser en zijn gemachtigde niet verschenen waren en geen contact hadden, en eiser niet had laten weten dat hij nog in Nederland verbleef of contact onderhield met zijn gemachtigde, oordeelde de rechtbank dat eiser geen belang meer had bij de procedure. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de procedure.