ECLI:NL:RBDHA:2020:10642
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen overdracht vreemdeling aan Duitsland wegens verstreken overdrachtstermijn
Verzoeker, een vreemdeling, werd geconfronteerd met een geplande uitzetting naar Duitsland. Hij maakte bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en vroeg om een voorlopige voorziening. De staatssecretaris stelde dat de overdrachtstermijn nog niet was verstreken vanwege een lopend bezwaar tegen de afwijzing van een verblijfsvergunning. De voorzieningenrechter oordeelde dat de overdrachtstermijn van zes maanden, zoals bepaald in de Dublinverordening, was verstreken en dat het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning deze termijn niet opschort.
De voorzieningenrechter benadrukte dat alleen een beroep tegen het overdrachtsbesluit zelf de overdrachtstermijn kan opschorten, niet een bezwaar tegen een andere beslissing. Omdat de overdrachtstermijn was verstreken, werd Nederland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor verzoeker niet mocht worden overgedragen totdat op het bezwaar was beslist.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekers rechtsbijstandverlener. De uitspraak werd telefonisch aan partijen medegedeeld en er is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Verzoeker mag niet worden overgedragen aan Duitsland omdat de overdrachtstermijn is verstreken en bezwaar tegen afwijzing verblijfsvergunning deze termijn niet opschort.