ECLI:NL:RBDHA:2020:10120

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2020
Publicatiedatum
8 oktober 2020
Zaaknummer
SGR 19/2069
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:74 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 8:91 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens intrekking bestreden besluit en weigering schadevergoeding proceskosten

Eiser verzocht om verlenging van vergoeding voor medicinale cannabis, wat aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar trok verweerder het besluit in en verlengde de vergoeding, maar eiser handhaafde het beroep en vroeg om proceskosten- en schadevergoeding.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang meer had bij inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit, aangezien verweerder tegemoet was gekomen. Proceskostenvergoedingen kunnen alleen worden toegekend volgens de limitatieve regeling in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), en eiser maakte geen gebruik van professionele rechtsbijstand.

De gevorderde schadevergoeding op grond van artikel 8:88 Awb Pro werd afgewezen omdat de kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd vastgesteld dat eiser ten onrechte een te hoog griffierecht had betaald, waarvan het verschil wordt terugbetaald en het correcte griffierecht door verweerder wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verweerder moet het correcte griffierecht aan eiser vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 19/2069

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

en

de Staatssecretaris van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Engels Linssen).

Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om verlenging van de vergoeding van medicinale cannabis afgewezen.
Bij besluit van 25 februari 2019 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het besluit van 25 februari 2019 beroep ingesteld.
Bij besluit van 10 februari 2020 heeft verweerder het besluit van 25 februari 2019 ingetrokken en het bezwaar gegrond verklaard. Verweerder heeft beslist dat de vergoeding voor het gebruik van medicinale cannabis zal worden verlengd, in ieder geval voor de duur van een lopend onderzoek door prof. dr. kolonel E. Vermetten.
Eiser heeft het beroep gehandhaafd en verzocht om proceskosten- en schadevergoeding.
Het beroep is op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 10 februari 2020 (hierna: het bestreden besluit).
Verweerder heeft een reactie ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een beeldverbinding (skype) op 24 september 2020. Hieraan heeft deelgenomen de gemachtigde van verweerder. Eiser is met bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft bij e-mail van 24 september 2020 aangegeven dat hij het beroep intrekt en de rechtbank verzoekt verweerder te veroordelen in de kosten die hij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Omdat dit beroep juist (en alleen nog) over de vergoeding van die kosten gaat, heeft de rechtbank de e-mail van 24 september 2020 niet als intrekking van het beroep beschouwd en heeft de behandeling van het beroep voortgezet. De rechtbank overweegt met betrekking tot het verzoek om kostenveroordeling als volgt.
2. Eiser heeft bij brief van 14 maart 2020 betoogd dat hij voorafgaand aan het bestreden besluit veel kosten heeft gemaakt om het standpunt van verweerder te betwisten. Hij schat dat hij minimaal 16 uur met de kwestie bezig is gewist. Eiser verzoekt hem een forfaitaire proceskostenvergoeding toe te kennen en ook een uitspraak te doen over de schade en kosten die hierdoor niet gedekt worden.
3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.
Artikel 6:19, zesde lid, van de Awb bepaalt dat intrekking of vervanging van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het bezwaar- of beroepschrift daarbij belang heeft.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
In artikel 8:91, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien het schadeverzoek wordt gedaan gedurende het beroep of het hoger beroep omtrent het schadeveroorzakende besluit, het wordt ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep of het hoger beroep aanhangig is.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit van 10 februari 2020 heeft, omdat verweerder met dit besluit eiser is tegemoetgekomen. In feite heeft verweerder met dat bestreden besluit het primaire besluit gewijzigd. Nog daargelaten dat eiser in bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van proceskosten, zijn er, gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), in bezwaar en beroep geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen omdat eiser geen gebruik heeft gemaakt van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
5. De schade waarvan eiser vergoeding vordert komt niet voor vergoeding op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie (ECLI:NL:CRVB:2015:4828 en ECLI:NL:RVS:2015:3518) kan de vergoeding van de kosten in de bezwaar- en beroepsprocedure slechts met toepassing van de artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het Bpb plaatsvinden. In artikel 1 van Pro het Bpb is een limitatieve opsomming gegeven van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Het bedrag van de kosten wordt forfaitair vastgesteld op grond van artikel 2 van Pro het Bpb en de bijlage van het Bpb. Gelet op dit limitatieve en forfaitaire karakter van de exclusieve regeling van de proceskostenveroordeling, is voor een (volledige) vergoeding van proceskosten langs de weg van artikel 8:88 van Pro de Awb geen plaats.
Het verzoek om schadevergoeding komt niet voor inwilliging in aanmerking.
6. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten gevolge van verweerders besluitvorming schade heeft geleden, heeft hij geen belang meer bij een vernietiging van het ingetrokken besluit als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb. Een dergelijk procesbelang kan immers niet zijn gelegen in de vergoeding van griffierecht en in de veroordeling in proceskosten in beroep, omdat ook toepassing kan worden gegeven aan de artikelen 8:74 en 8:75 van de Awb zonder dat het beroep gegrond wordt verklaard.
7. Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep niet-ontvankelijk is.
8. De rechtbank heeft vastgesteld dat van eiser ten onrechte een griffierecht van
€ 174,-- is geheven. Dit had moeten zijn € 47,--. De griffie zal het verschil van € 127,-- aan eiser terugstorten. De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder op grond van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb het griffierecht van € 47,-- aan eiser vergoedt.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 september 2020.
De griffier is
verhinderd te tekenen.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.