ECLI:NL:RBDHA:2019:8618
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken toestemmingsverklaring en onvoldoende bewijs familierelatie
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis af te wijzen. De aanvraag was gebaseerd op de vermeende familierechtelijke relatie met een referent, de gestelde moeder, die een verblijfsvergunning asiel heeft.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder ontbrak en de identiteit en familierechtelijke relatie van eiser met de referent niet aannemelijk waren gemaakt. Eiser stelde dat hij bewijsnood had omdat hij geen officiële documenten kon overleggen, onder meer vanwege het overlijden van zijn vader, maar dit werd niet voldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat het beleid van de staatssecretaris om een toestemmingsverklaring te vragen niet onredelijk is en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van officiële documenten niet aan hem te wijten is. Onofficiële documenten zoals een verklaring van gesneuvelde en schooldocumenten werden onvoldoende betrouwbaar geacht.
De rechtbank volgde de nieuwe gedragslijn en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en concludeerde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor verlening van een mvv. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van toestemmingsverklaring en onvoldoende bewijs van familierechtelijke relatie.