ECLI:NL:RBDHA:2019:807
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning op grond van Dublinverordening met betrekking tot Italië
Eiser, een Libische staatsburger, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank overweegt dat eiser een geldig visum van Italië heeft verkregen en dat Italië niet tijdig heeft gereageerd op het verzoek tot overname, waardoor dit verzoek als aanvaard wordt beschouwd. Eiser voerde aan dat Italië niet als verantwoordelijke lidstaat kan worden gezien omdat hij met valse documenten Europa is binnengekomen en dat er concrete aanwijzingen zijn dat Italië niet voldoet aan internationale verplichtingen, met name verwijzend naar het Tarakhel-arrest en het recente decreet nr. 113/2018 dat de toegang tot opvang beperkt.
De rechtbank erkent de gebreken in het Italiaanse asielstelsel en wijst erop dat het interstatelijke vertrouwensbeginsel niet zonder nadere onderbouwing kan worden toegepast. Desondanks concludeert de rechtbank dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Italië niet vergelijkbaar is met de problematische situatie in Griekenland ten tijde van het M.S.S.-arrest en dat er geen grond is voor het oordeel dat de uitzetting naar Italië tot schending van artikel 3 EVRM Pro zal leiden.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.