ECLI:NL:RBDHA:2019:7356
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Afghanistan
Verzoeker, van Afghaanse nationaliteit, diende een herhaalde aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel in, welke niet-ontvankelijk werd verklaard door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting naar Afghanistan op 9 juli 2019 te voorkomen.
De voorzieningenrechter overwoog dat onverwijlde spoed een uitspraak zonder zitting rechtvaardigde. Eerder had een voorzieningenrechter in Roermond een soortgelijk verzoek afgewezen, waarbij werd geoordeeld dat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd die de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel trokken.
Verzoeker voerde aan dat hij als Sjiitische Hazara uit een gevaarlijke regio bescherming verdient en verwees naar diverse rapporten en uitspraken. Ook stelde hij dat een overgelegd document zonder vertaling onvoldoende werd meegewogen, terwijl dit document relevant zou zijn voor zijn bescherming.
De voorzieningenrechter stelde vast dat geen nieuwe feiten waren aangevoerd en dat het overgelegde document niet vertaald was, waardoor de inhoud onduidelijk bleef. Dit leidde tot de conclusie dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Daarom werd het verzoek tot voorlopige voorziening afgewezen en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om uitzetting naar Afghanistan te voorkomen is afgewezen.