ECLI:NL:RBDHA:2019:7182
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging rechtmatig verblijf unieburger en echtgenote wegens onvoldoende middelen
Eiser, een unieburger, en zijn echtgenote, een derdelander, hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid die hun rechtmatig verblijf in Nederland beëindigen en de aanvraag van de echtgenote voor een verblijfsdocument duurzaam verblijf afwijzen.
Eiser heeft sinds 1 juli 2010 rechtmatig verblijf gehad, maar stopte zijn werkzaamheden in maart 2011 vanwege een arbeidsongeval. Hij ontving sindsdien uitkeringen. De Staatssecretaris stelde dat het verblijf van eiser per 1 februari 2012 is geëindigd omdat hij onvoldoende middelen van bestaan kon aantonen, waardoor ook het verblijf van zijn echtgenote eindigde. De rechtbank oordeelt dat eiser niet heeft bewezen dat hij blijvend arbeidsongeschikt is geraakt door een arbeidsongeval, zoals vereist voor een uitzondering op de vijfjaartermijn.
De rechtbank wijst erop dat doorbetaling van uitkeringen niet leidt tot rechtmatig verblijf en dat het ontbreken van bewijs voor blijvende arbeidsongeschiktheid leidt tot het oordeel dat het verblijf terecht is beëindigd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot beëindiging van het rechtmatig verblijf blijft in stand.