ECLI:NL:RBDHA:2019:692
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en situatie Italië
Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname van de aanvraag bij Italië ingediend, dat door Italië was aanvaard.
Eiser voerde aan dat de opvang en asielprocedure in Italië ernstig tekortschoten, mede door het inwerkingtreden van het wetsdecreet nr. 113/2018, en dat daardoor een reëel risico bestond op schending van zijn rechten. Hij onderbouwde dit met diverse rapporten en artikelen van internationale organisaties en media.
De rechtbank stelde echter vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk had geoordeeld dat het decreet weliswaar veranderingen bracht, maar niet leidde tot het ontbreken van opvang voor kwetsbare Dublinclaimanten of tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De informatie van eiser bood geen ander beeld dan dat van de Afdeling en was bovendien ouder dan de uitspraak van de Afdeling.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond was. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.