ECLI:NL:RBDHA:2019:692

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 januari 2019
Publicatiedatum
29 januari 2019
Zaaknummer
NL18.23982 en NL18.23983
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3 EVRM
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en situatie Italië

Eiser, met de Gambiaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, besloot deze aanvraag niet in behandeling te nemen omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname van de aanvraag bij Italië ingediend, dat door Italië was aanvaard.

Eiser voerde aan dat de opvang en asielprocedure in Italië ernstig tekortschoten, mede door het inwerkingtreden van het wetsdecreet nr. 113/2018, en dat daardoor een reëel risico bestond op schending van zijn rechten. Hij onderbouwde dit met diverse rapporten en artikelen van internationale organisaties en media.

De rechtbank stelde echter vast dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State recentelijk had geoordeeld dat het decreet weliswaar veranderingen bracht, maar niet leidde tot het ontbreken van opvang voor kwetsbare Dublinclaimanten of tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De informatie van eiser bood geen ander beeld dan dat van de Afdeling en was bovendien ouder dan de uitspraak van de Afdeling.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het beroep ongegrond was. Ook het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
zaaknummers: NL18.23982 en NL18.23983 [V-nr:]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser]eiser en verzoeker, hierna eiser, (gemachtigde: mr. N.D. Schraa),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Toonders).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt uitzetting te voorkomen voordat op het beroep is beslist.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2019. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Eiser heeft de Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .
Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening1 is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de
1. Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de
behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser voert aan dat het systeem in Italië in de afgelopen jaren verder onder druk is komen te staan en dat dit negatieve consequenties heeft voor het algehele asielsysteem. Verweerder onderschat de ernst van de situatie in Italië, ondanks de veelheid aan informatie van verschillende internationale organisaties die aangeven dat er sprake is van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen met betrekking tot de opvang voor asielzoekers, de toegang tot de asielprocedure en het verschaffen van ondersteuning en faciliteiten aan asielzoekers. Op 5 oktober 2018 is in Italië het wetsdecreet nr.113/2018 in werking getreden en inmiddels ook op 22 november 2018 aangenomen, met grote gevolgen voor asielzoekers in Italië.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser gewezen op de volgende informatie:
- blogpost van 31 oktober 2018 van Silvia Carta van het OMNIA Project Team op het EU Migration Law Blog;
- Asylum Information Database;
- artikel van ANSA van 15 november 2018;
- artikel van IRIN News van 7 december 2018;
- monitoringsrapport van DRC en SFH/OSAR van 12 december 2018;
- uitspraak van 18 oktober 2018 van deze rechtbank en zittingsplaats (ECLI:NL:RBDHA:2018:12420).
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) recent een uitspraak heeft gedaan over de opvang van vreemdelingen in Italië2. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat het duidelijk is dat het decreet een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft. Dit heeft tot een aantal incidenten geleid waarbij vreemdelingen uit de SPRAR-opvang zijn gezet. Het decreet heeft echter niet tot gevolg dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Van belang is dat de staatssecretaris conform artikel 32 van Pro de Dublinverordening melding blijft maken van de bijzondere behoeften en omstandigheden van een vreemdeling en de staatssecretaris de overdracht opschort zodra duidelijk is dat Italië daar niet aan kan voldoen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. Niet aannemelijk is gemaakt dat het decreet leidt tot aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang van Dublinclaimanten. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat op dit moment sprake is van een zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM3. Daarbij zijn ook inbegrepen de vreemdelingen die een beroep moeten doen op de algemene opvanglocaties. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat het aantal in 2018 in Italië gearriveerde vreemdelingen een stuk lager ligt dan in de voorgaande jaren, aldus de uitspraak van de Afdeling.
4.2.
In de beroepsgronden heeft eiser niets anders aangevoerd dan dat de Afdeling al heeft beoordeeld. De rapporten waar eiser op heeft gewezen en die niet zijn meegenomen in
behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend
2 Uitspraak van 19 december 2018 te vinden op www.rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RVS:2018:4131
3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
de beoordeling van de Afdeling bieden geen ander beeld. Bovendien dateert deze informatie van voor de uitspraak van de Afdeling.
4.3.
Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden.
5. Het beroep is ongegrond. Gelet op het oordeel in de beroepsprocedure wijst de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

In de zaak met procedurenummer NL18.23982:
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
In de zaak met procedurenummer NL18.23983:
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B.E. Giesen, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.