Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
3.Standpunt van de partijen
4.De beoordeling
bedrag) in ieder geval € 13.051,26 (minnelijk spaarsaldo van € 5.805,18 + 36 (€ 1.420,78 -/- € 1.219,50) in boedel zal vloeien.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Verzoeker heeft een minnelijk schuldregelingstraject gevolgd en een schuldregeling aangeboden waarbij preferente en concurrente schuldeisers een percentage van hun vordering ontvangen tegen finale kwijting van het restant. De regeling is door de meeste schuldeisers aanvaard, maar een schuldeiser die meer dan de helft van de totale schuldenlast vertegenwoordigt, weigerde mee te werken.
Verzoeker verzocht de rechtbank op grond van artikel 287a Faillissementswet om deze schuldeiser te bevelen in te stemmen met de regeling. De rechtbank oordeelt dat een schuldeiser slechts onder bijzondere omstandigheden kan worden gedwongen in te stemmen. In dit geval is onvoldoende duidelijk dat het bod het maximaal haalbare is, mede door een onjuiste berekening van het inkomen van verzoeker en onduidelijkheid over het karakter van het voorstel.
De rechtbank stelt dat de schuldeiser in redelijkheid tot weigering kon komen gezien haar belangen en de onevenredigheid tussen haar belang en het belang van verzoeker en overige schuldeisers. Daarom wordt het verzoek afgewezen. Het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling blijft gehandhaafd en zal afzonderlijk worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek tot dwanginstemming met de schuldregeling wordt afgewezen omdat de schuldeiser in redelijkheid tot weigering kon komen.