Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2019 in de zaak tussen
[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
(…);
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Filipijnse nationaliteit, vroeg een uitkering aan op grond van de Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen (Rvb) voor gezinsherenigers en gezinsvormers. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet was vrijgesteld van dit vereiste.
Eiser betoogde dat de Rvb analoog toegepast moest worden op zijn situatie, omdat hij een aanvraag had ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en afhankelijk was van zijn Nederlandse minderjarige halfbroer. De rechtbank oordeelde dat eiser niet tot de kring van rechthebbenden behoorde zoals omschreven in de Rvb, omdat zijn aanvraag niet viel onder de categorieën waarvoor de regeling geldt.
De rechtbank verwierp het betoog van eiser dat de regeling analoog toegepast moest worden en dat de kring van gerechtigden verruimd moest worden vanwege een zogenaamde Chavez-situatie. Volgens vaste jurisprudentie biedt de Rvb geen ruimte voor uitbreiding van de doelgroep. De rechtbank concludeerde dat de Rvb niet in strijd is met hogere regelgeving en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de uitkeringsaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.