ECLI:NL:RBDHA:2019:5268
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering regularisatie sociale verzekeringsplicht Rijnvarende in 2010
Eiser, kapitein op een motortankschip, verzocht regularisatie van zijn sociale verzekeringsplicht over 2010, verdeeld in twee periodes: tot 1 mei 2010 en daarna. De SVB en minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wezen deze verzoeken af, omdat eiser op de hoogte had kunnen zijn van zijn verzekeringsplicht in Nederland en er geen nieuwe feiten waren die herziening rechtvaardigden.
De rechtbank overwoog dat voor de periode tot 1 mei 2010 de minister bevoegd was en dat het besluit ondanks een formeel bevoegdheidsgebrek geldig is. Er waren geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding gaven het eerdere besluit te herzien, waaronder een e-mail van de Luxemburgse autoriteit die geen premieteruggave zou doen. Ook het feit dat andere bemanningsleden wel werden geregulariseerd, bood geen grond voor afwijking.
Voor de periode na 1 mei 2010 is de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing, die bepaalt dat sociale verzekeringswetgeving geldt van het land waar de exploitant van het schip is gevestigd. Aangezien de exploitant in Nederland is gevestigd, geldt de Nederlandse wetgeving. Eiser kon dit na ontvangst van een brief van de Belastingdienst in 2009 begrijpen.
Eiser voerde diverse bezwaren aan, waaronder dat de regeling met terugwerkende kracht werd ingevoerd en dat dubbele premieheffing onredelijk was. De rechtbank verwierp deze bezwaren, oordeelde dat het civielrechtelijke probleem van dubbele premieheffing bij de werkgever ligt en dat de SVB terecht geen bijzondere omstandigheden zag om tot regularisatie over te gaan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn regularisatieverzoek sociale verzekeringsplicht over 2010 wordt ongegrond verklaard.