ECLI:NL:RBDHA:2019:5208
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aftrekbaarheid vergoeding aan partner onder de Wet IB 2001 bij vrijwilligersvergoeding
Eiser, een ondernemer met een eenmanszaak, betaalde jaarlijks €1.500 aan zijn echtgenote voor werkzaamheden zoals het invoeren van teksten en het herredigeren van zinnen. De vraag was of deze vergoeding aftrekbaar was van zijn winst uit onderneming.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 3.16, vierde lid, van de Wet IB 2001 kosten en lasten die verband houden met arbeid door de partner van de belastingplichtige niet aftrekbaar zijn als de vergoeding lager is dan €5.000 per jaar. Dit geldt ongeacht of de vergoeding een vrijwilligersvergoeding betreft.
De rechtbank vond geen steun in tekst, doel en strekking van de wet voor de stelling van eiser dat de regeling niet van toepassing zou zijn op vrijwilligersvergoedingen. Omdat de vergoeding lager was dan €5.000, werd deze niet in aftrek toegelaten. De vraag of het daadwerkelijk een vrijwilligersvergoeding betrof, was niet relevant voor de aftrekbaarheid en hoefde niet te worden beantwoord.
De beroepen van eiser werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter T.A. de Hek op 17 mei 2019.
Uitkomst: De vergoeding aan de partner lager dan €5.000 is niet aftrekbaar van de winst uit onderneming.