Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
).
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met als grondslag zijn bekering tot het christendom. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen als kennelijk ongegrond op basis van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld aan de hand van de vaste gedragslijn zoals omschreven in de Werkinstructie 2018/10. Hierbij worden drie elementen onderzocht: motieven en proces van bekering, kennis van de nieuwe religie en activiteiten binnen die religie. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende concreet en diepgaand heeft verklaard over zijn bekering, het tijdspad, en de persoonlijke betekenis daarvan.
Hoewel eiser activiteiten ontplooide en kennis toonde van het christendom, vond de rechtbank dat dit onvoldoende compenseerde voor het gebrek aan overtuiging in zijn verklaringen. Ook de brieven van kerkleiders werden niet doorslaggevend geacht. De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een oprechte en diepgewortelde bekering, waardoor de asielaanvraag terecht is afgewezen.
Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wees de opvolgende asielaanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardige bekering tot het christendom.