Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres (V-nummer: [V-nummer] ),mede namens haar minderjarige dochter [naam minderjarige] ,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 26 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Overwegingen
Inleiding
30 mei 2018 van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, in rechte vast komen te staan.
Standpunt van partijen in beroep
Eiseres verwijst naar de volgende zes zaken (hierna: de EHRM-zaken):
interim measurehad getroffen. Eiseres heeft een kopie van de begunstigende beschikking overgelegd bij de zienswijze.
Beoordeling door de rechtbank: nieuwe elementen of bevindingen?
in dit kadergeen bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 83.0a van de Vw en het arrest Bahaddar voordoen.
Gelijkheidsbeginsel/vermoeden van beleidswijziging.
De rechtbank heeft ter zitting met partijen gesproken over de inhoudelijke overeenkomsten en verschillen tussen die zaken en de onderhavige zaak, waarbij onder meer aan de orde is geweest dat in de onderliggende rechtbankuitspraken, waarvan de kenmerken in een voetnoot worden vermeld, [3] telkens sprake lijkt te zijn geweest van vreemdelingen wier asielrelaas – waaronder de identiteit en herkomst van de vreemdeling – verweerder als ongeloofwaardig heeft aangemerkt, net als in het geval van eiseres.
Verder heeft verweerder niet uitgelegd, behalve in zeer algemene termen, in welk opzicht de zaken Touré en Kake en Camara met eiseres verschillen. Hoewel de rechtbank constateert dat bij Touré de herkomst en identiteit kennelijk alsnog geloofwaardig zijn geacht (terwijl dit bij eiseres niet het geval is), acht de rechtbank dit zonder nadere toelichting onvoldoende, aangezien geheel niet inzichtelijk is geworden wat de wijziging van verweerders beoordeling op dit punt, kennelijk volgend op vragen van het EHRM aan Nederland en het treffen van een
interim measure, [4] heeft veroorzaakt.
Dit geldt ook voor de wijziging in verweerders conclusie bij Touré en Kake en Camara op het punt van het aannemelijk achten van gegronde vrees voor besnijdenis van de dochters.
De toelichting van verweerder over de begunstigende beschikking inzake Barry is eveneens onvoldoende. Enerzijds stelt verweerder dat het asielrelaas niet alsnog geloofwaardig is geacht, maar anderzijds komt verweerder tot de conclusie dat – kort gezegd – de leefsituatie van eiseres en Barry verschillen. Deze ommezwaai is zonder nadere toelichting niet goed te begrijpen, omdat uit de voornoemde onherroepelijke rechtbankuitspraken geenszins blijkt dat Barry ’s relaas aanvankelijk wel geloofd werd op het punt van de leefsituatie. Ook hier heeft verweerder een andere conclusie getrokken over de vrees voor besnijdenis nadat het EHRM op 15 december 2017 vragen heeft gesteld aan Nederland.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,-.
mr. B.L. Meijer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 april 2019.