ECLI:NL:RBDHA:2019:3825
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende middelen en onduidelijk verblijfdoel
Eiser, een Pakistaanse staatsburger, diende een aanvraag in voor een visum voor kort verblijf met als doel toerisme. Na afwijzing van de aanvraag en het bezwaar verklaarde de rechtbank het beroep ontvankelijk ondanks een overschrijding van de beroepstermijn, omdat eiser aannemelijk maakte dat hij het besluit laat ontving.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden. Verweerder stelde dat eiser onvoldoende middelen van bestaan had aangetoond, mede omdat de bankafschriften vooral contante stortingen bevatten zonder verklaring van de herkomst. Eiser gaf geen nadere toelichting, waardoor verweerder redelijkerwijs kon twijfelen aan de beschikbaarheid van de middelen.
Daarnaast was er twijfel over het doel en de omstandigheden van het verblijf. Hoewel eiser toerisme als doel noemde, gaf hij geen concrete invulling van zijn verblijf in Nederland. Ook was er onduidelijkheid over de verblijfsdata, waarbij de rechtbank oordeelde dat de data op de hotelreservering wel overeenkwamen met het bedoelde verblijf, maar dit onvoldoende was om het doel aannemelijk te maken.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor het visum en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het visum voor kort verblijf wordt ongegrond verklaard.