Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3. Voorvragen; geldigheid van de dagvaarding en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
4.Bewijsoverwegingen
Middels een tussenpersoon zijn [verdachte] en [medeverdachte 4] een hypotheekofferte gaan tekenen en daarbij hebben ze een valse loonstrook en een valse werkgeversverklaring overlegd. [verdachte] wil niet zeggen wat [bedrijf 1] daarvoor gekregen heeft, maar – zo verklaart hij – Sinterklaas bestaat niet. Over de betrokken boekhouder en makelaar verklaart [verdachte] dat deze beiden niets van de fraude wisten. Verder wil hij niet over anderen verklaren, de politie weet toch al hoe het zit.
Over het zichzelf als ondernemer uitschrijven bij de Kamer van Koophandel als vennoot van [bedrijf 6] verklaart hij dat dit een bewuste keuze was voor het kunnen verkrijgen van de hypotheek. Hij heeft de broer van [medeverdachte 4] gevraagd op papier in de zaak te komen. Het was van belang voor de hypotheek dat [verdachte] op papier uitgeschreven stond. [3]
Bovendien past deze verklaring van [verdachte] bij de overige bewijsmiddelen in het dossier. De rechtbank zal hieronder nader ingaan op deze overige bewijsmiddelen.
Op 10 februari 2016 stuurt [boekhouder] dat de bedragen €2900,- + € 3870,- = € 5960,- zijn. [verdachte] vraagt hoeveel er dan wordt gestort en dat hij het niet meer snapt. [boekhouder] zegt tussen de € 3350 en € 3450 en dan hij nog even naar de reiskosten moet kijken. [verdachte] zegt daarop ‘desnoods zonder reiskosten’, waarop [boekhouder] reageert dat dat alleen maar beter voor hun is en dat [verdachte] het terug krijgt op rekening.
“Doe mijne dan maar 1 maand door als het zeker kan??”.
Op 8 juni 2016 stuurt [boekhouder] aan [verdachte]
“Hoi [verdachte] . Periode 5 is € 5270,- incl vakantie geld en periode 6 is 1944,- incl v.geld en eindejaarsuitkering totaal is 7210,-. Voor [naam] is 2090,- v.geld € 928,- + eindejaarsuitkering € 508, totaal € 3520,-.“
[boekhouder] zegt dat hij de stroken voor [verdachte] heeft en dat op eindejaarsuitkering en vakantiegeld 42% belasting ingehouden wordt. En dat [verdachte] dit terug krijgt, 4500 op zijn naam en van de partner moet hij nog uitrekenen. [boekhouder] zegt dat hij desnoods met voorlopige teruggave kan vragen, dat ze dan het geld eerder terug halen. [verdachte] zegt dan als het eerder kan want hij zit met het huis. [boekhouder] zegt
“Ja gaan we regelen vriend.”
(nr. 71)Op 14 maart 2016 is er een gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] dat de auto van [verdachte] misschien privé moet worden afgelost en dat [verdachte] zich moet laten uitschrijven. [medeverdachte 4] vraagt of het anders dan helemaal niet lukt. [verdachte] reageert dat ze dan naar een ander huis moeten gaan kijken en dan dit op tijd kunnen regelen.
(nr. 3558)
(nr. 5331)Even later wordt [verdachte] gebeld door makelaar [naam] . Er is uitstel met een week maar er moet nu iets gebeuren. [verdachte] zegt dat zijn auto een klein ongeluk krijgt deze week, dus die is van de week weg.
(nr. 5364)Om 13.07 uur belt [verdachte] met [naam] en zegt dat vanmiddag de auto weg is en of [naam] het programma “ter land, ter zee en in de lucht” kent. [naam] zegt dat hij dat kent en er klinkt gelach.
(nr. 5377)Om 13.09 uur belt [verdachte] met de tussenpersoon [naam] en vraagt of de premies voor [bedrijf 3] zijn betaald en of de tussenpersoon dit met spoed op de mail kan zetten.
(nr. 5393)[medeverdachte 4] belt [verdachte] om 14.17 uur en vraagt of [verdachte] nog aan de buurman gaat vragen om die slang voor de benzine.
(nr. 5447)
(nr. 5471)
(nr. 6480)
Naar aanleiding van het tapgesprek waarin hij verwijst naar “ter land ter zee en in de lucht” verklaart hij dat hij snapt hoe dat overkomt maar dat hij het echt niet opzettelijk heeft gedaan. Dan had hij het wel anders gedaan. Verder verklaart hij dat hij een hogere uitkering wilde en daardoor ook schoenen, laptop en een telefoon heeft geclaimd die niet in de auto lagen. Hij verklaart daarover dat het kan zijn dat hij dacht “krijg de rambam maar” omdat er € 5.000,- op de uitkering werd ingehouden. [25]
had zijn telefoon bij zich, hij was nat. Hoe het kan dat zij met zijn telefoon naar 112 heeft gebeld weet ze niet. Ze kan zich niet herinneren of er al brandweer of politie was. Ze was in de buurt en toen ze er naar toe reed lag [verdachte] nog in de sloot. Ze weet niet waar het gesprek van de slang voor benzine over ging.
Bij haar verhoor op 18 juni 2016 heeft [medeverdachte 4] verklaard [27] dat de verschillen in haar verklaring komen doordat ze niet meer wist wat er allemaal gebeurd was. Het enige wat ze zich nog kon herinneren was dat [verdachte] later zei dat hij in orde was. Dat [verdachte] heeft gezegd dat ze achter hem reed, dat klopt niet. Ze reed er niet direct achter. Ten aanzien van de vraag waarom zij de telefoon van [verdachte] had waarmee ze belde, beriep ze zich op haar zwijgrecht.
Conclusie rechtbankDe rechtbank is op grond van de opgesomde bewijsmiddelen – in onderlinge samenhang bezien – van oordeel dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om de auto het water in te rijden. De rechtbank acht hierbij van belang dat [verdachte] enkele uren voorafgaand aan het ongeval tegen zowel [naam] als [naam] zegt dat de auto een ongelukje krijgt en na deze week weg is. Tegen [naam] maakt hij daarbij bovendien een verwijzing naar het programma “ter land, ter zee en in de lucht”. [verdachte] belt ook vlak voor het ongeval met de verzekeringsmaatschappij met de vraag of de premies wel betaald zijn.
Daar komt bij dat [medeverdachte 4] tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over onder andere het moment waarop zij 112 belt, over wie op welk moment de telefoon van [verdachte] had, over waar zij was ten tijde van het ongeval en of [verdachte] nog in het water lag of al in de ambulance zat toen zij bij het water aankwam. Ook komt haar verklaring dat [verdachte] in de ambulance zat en door de ambulance is afgevoerd en thuis gebracht, niet overeen met hetgeen de verbalisanten in het mutatierapport hebben opgenomen.
5 april2016 te 's-Gravenhage, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen [bedrijf 3] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag, te weten het uitkeren van verzekeringsgeld ten bedrage van 22.686,53 euro, door zich voor te doen als gedupeerde van een onvoorzien
enonzeker voorval, te weten, het in het water rijden van zijn, verdachtes, voertuig, [auto merk] , kenteken [kenteken] , en vervolgens een valse schadeclaim in te dienen bij [bedrijf 3] ;
5.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
6.De strafbaarheid van de verdachte
7.De strafoplegging
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
9 (NEGEN) MAANDEN;
4 (VIER) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:
2 (TWEE) JARENvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.