ECLI:NL:RBDHA:2019:3096
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag verblijfsvergunning familie- of gezinsleven
Verzoeker, met de Surinaamse nationaliteit, diende op 1 augustus 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning met als doel verblijf bij zijn vrouw in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag af omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Tevens werd een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Hij stelde dat de afwijzing in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en artikel 10 Grondwet Pro, omdat het ingrijpt in zijn familieleven. Daarnaast voerde hij een beroep op de hardheidsclausule aan, onder meer vanwege een medisch traject voor kinderwens en de mogelijke gevolgen van uitzetting.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de belangenafweging door de Staatssecretaris niet onredelijk was. Verzoeker had bewust familieleven in Nederland opgebouwd terwijl hij wist dat hij niet rechtmatig verbleef. Er was geen sprake van sterke banden met Nederland die een vrijstelling rechtvaardigen. Ook het beroep op de hardheidsclausule werd verworpen, mede omdat het medische traject niet was doorgegaan. Het bezwaar had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.