ECLI:NL:RBDHA:2019:2661
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring opvolgende asielaanvraag statushouder Griekenland
Eiseres, van Syrische nationaliteit, diende een opvolgende aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, mede namens haar twee minderjarige kinderen. Deze aanvraag werd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank oordeelde dat de informatie van de Griekse autoriteiten, verkregen na een verzoek om opheldering, voldoende actueel en duidelijk was om aan te nemen dat eiseres en haar kinderen nog steeds internationale bescherming genieten in Griekenland. De rechtbank verwees naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd vastgesteld dat een verlopen verblijfsdocument niet automatisch betekent dat de status is vervallen.
Eiseres voerde aan dat zij in Griekenland geen veilige omgeving zou hebben vanwege geweld van haar (ex)echtgenoot, maar de rechtbank vond dat deze beweringen reeds in een eerdere procedure niet geloofwaardig waren bevonden en dat zij geen nieuwe feiten had aangevoerd. Ook het beroep op rapporten over de situatie van vluchtelingen in Griekenland en eerdere jurisprudentie slaagde niet, omdat deze niet wezenlijk afweken van eerdere beoordelingen.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht de aanvraag niet-ontvankelijk had verklaard en wees het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de opvolgende asielaanvraag is ongegrond verklaard.