Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 februari 2019 in de zaken tussen
[eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 6] en [eiser 7], allen te [plaats 1] , eisers
(gemachtigde: mr. F. van der Hoek),
de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
.In de jurisprudentie van de ABRvS, zie onder meer de door partijen genoemde uitspraken van 14 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1136) en 30 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4027), is overwogen dat in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 1, aanhef en onder c, van de Wht (Kamerstukken II, 1996/1997, 25 090, nr. 3, blz. 28) is vastgelegd dat voor de uitleg van het begrip ‘van korte duur’ kan worden aangesloten bij jurisprudentie die is ontwikkeld over vergelijkbare uitsluitingsbepalingen in het BW en de Huurprijzenwet woonruimte. Daarbij kan naar analogie van het arrest van de Hoge Raad van 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA5088, worden gelet op de aard van de woonruimte en hetgeen partijen omtrent de duur van het gebruik voor ogen heeft gestaan (de bekende Haviltex benadering). In dit arrest heeft de Hoge Raad tevens overwogen dat uit de tekst van artikel 7A:1623a, eerste lid, van het BW (thans: artikel 7:232, tweede lid, van het BW) en uit de bij de totstandkoming van die bepaling gegeven toelichting, waarbij is gezegd dat ‘tenzij naar zijn aard slechts van korte duur’ een uitzonderingsbepaling is die zeer restrictief moet worden opgevat en waarbij als voorbeeld is gewezen op de huur van een woning voor vakantie of een wisselwoning bij renovatie (Handelingen II, 1978/79, blz. 5026), moet worden afgeleid dat terughoudendheid past bij bevestigende beantwoording van de vraag of het bedoelde uitzonderingsgeval zich voordoet.
.De rechtbank stelt vast dat niet alle eisers een overeenkomst hebben overgelegd. Tussen partijen is echter niet in geschil dat de overgelegde overeenkomst (in de zaak SGR 18/5824) als maatgevend kan worden gezien voor alle andere onderhavige zaken. De rechtbank sluit zich hierbij aan.
.In de overgelegde overeenkomst verbindt verhuurder PerspeKtief zich om een studio aan eiser in gebruik te geven en verbindt eiser zich tot het betalen van een vergoeding voor bewoning. Aldus voldoet deze overeenkomst aan de wettelijke kenmerken van de huurovereenkomst. De ook in de overeenkomst opgenomen bepalingen over begeleiding maken dit niet anders. In de overeengekomen huurprijs is immers geen component voor begeleidingskosten begrepen. De in de overeenkomst opgenomen bepalingen over de begeleiding door PerspeKtief geven de overeenkomst een gemengd karakter. Bij een dergelijke gemengde overeenkomst zijn ingevolge artikel 215, gelezen in samenhang met artikel 216, van Boek 6 van het BW de voor die beide overeenkomsten geldende bepalingen in beginsel naast elkaar van toepassing, tenzij deze bepalingen niet met elkaar verenigbaar zijn of de strekking van de bepalingen zich tegen toepassing ervan op de overeenkomst verzet.