ECLI:NL:RBDHA:2019:1841
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep verblijfsvergunning asiel wegens ontbreken procesbelang na vertrek met onbekende bestemming
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 2 november 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat Roemenië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
De rechtbank onderzocht of eiser nog procesbelang had bij het beroep tegen dit besluit. Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat als een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, hij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
Eiser was niet verschenen op de zitting en was met onbekende bestemming vertrokken, hetgeen door de Dublin unit aan Roemenië werd gemeld. De rechtbank concludeerde dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op asielrechtelijke bescherming in Nederland en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van belang.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter G. de Zeben - de Vries en griffier A.E. Maas. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.