ECLI:NL:RBDHA:2019:1798
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. E. Dutrieux
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen
Eiser, een Tsjadische nationaliteit, diende op 14 oktober 2018 een asielaanvraag in Nederland in. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser in maart 2016 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend, en Duitsland stemde in met zijn terugname.
Eiser vreesde dat hij in Duitsland direct in bewaring zou worden gesteld en uitgezet naar Tsjaad, en stelde dat Nederland indirect refoulement pleegde door hem over te dragen. Tevens stelde hij dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden, wat de Staatssecretaris onbeantwoord liet.
De rechtbank oordeelde dat Duitsland is aangesloten bij internationale verdragen die bescherming bieden aan vluchtelingen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Eiser kon niet aannemelijk maken dat dit vertrouwen in Duitsland niet gerechtvaardigd was. Ook was er geen bewijs dat zijn overdracht zou leiden tot schending van het verbod op refoulement. De rechtbank vond dat de Staatssecretaris terecht verwees naar het voornemen en dat er geen reden was om het verzoek op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro toe te wijzen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenvergoeding af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.