ECLI:NL:RBDHA:2019:14818

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
12 juni 2020
Zaaknummer
AWB - 19/7557 en 19/7558
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongeldigverklaring rijbewijs wegens alcoholmisbruik en psychiatrische diagnose

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 19 december 2019 uitspraak gedaan over de ongeldigverklaring van het rijbewijs van eiser, die was vastgesteld op basis van alcoholmisbruik. Eiser had zijn rijbewijs ongeldig verklaard gekregen door de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) na een aanhouding op 15 december 2018, waarbij een hoog alcoholpromillage van 860 µg/l (1,978 ‰) was geconstateerd. Eiser had op dat moment een aanzienlijke hoeveelheid alcohol genuttigd en was met zijn werkbusje gaan rijden.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de psychiater, die eiser had onderzocht, tot de conclusie was gekomen dat er sprake was van 'alcoholmisbruik in ruime zin'. Deze diagnose was gebaseerd op verschillende aanwijzingen, waaronder het hoge alcoholpromillage en het gedrag van eiser tijdens de aanhouding. De voorzieningenrechter oordeelde dat de psychiater voldoende onderbouwing had voor zijn diagnose en dat het CBR zich op deze diagnose mocht baseren voor de ongeldigverklaring van het rijbewijs.

Eiser had bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het CBR en verzocht om een voorlopige voorziening, maar de rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen aanleiding was om te twijfelen aan de juistheid van de diagnose van de psychiater en dat de beslissing van het CBR om het rijbewijs ongeldig te verklaren rechtmatig was.

Uitspraak

Rechtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR AWB 19/7557 (vovo) en 19/7558 (beroep)
uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2019 op het verzoek om voorlopige voorziening en het beroep in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
tegen

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerster

(gemachtigde: drs. M.M. van Dongen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2019 (het primaire besluit) heeft verweerster het rijbewijs van eiser ongeldig verklaard vanaf 15 juli 2019 omdat na onderzoek is gebleken van de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik op basis van alle relevante gegevens.
Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.
Tevens heeft eiser bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Bij uitspraak van 11 september 2019 (AWB 19/5202, ECLI:NL:RBDHA:2019:9649) heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen.
Bij besluit van 13 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerster het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.
2.1
Eiser is op 15 december 2018 door de politie aangehouden vanwege zijn rijgedrag (slingerend, traag rijden). Het resultaat van de ademanalyse was 860 µg/l (1.978 ‰). Onder ‘waarneming alcohol’ vermeldt het proces verbaal: ‘de adem rook naar alcohol; de ogen waren bloeddoorlopen; verdachte sprak met dubbele tong; verdachte was onvast ter been’.
Eiser had naar eigen zeggen voor de aanhouding het volgende gedronken: 21 alcoholische consumpties, te weten een halve fles wodka, 5 halve liters bier en 1 glas wijn.
Dit had hij gedronken tussen 20 uur en 6 uur ’s morgens. Tijdstip van aanhouding was rond 12:55 uur ’s middags. Eiser was volgens zijn eigen verklaring met zijn werkbusje op weg naar een garage voor het omwisselen naar winterbanden.
2.2
Eiser is op 6 april 2019 onderzocht door psychiater [A] . Deze is tot de conclusie gekomen dat sprake was van ‘alcoholmisbruik in ruime zin’.
De volgende aanwijzingen worden daaraan onder meer ten grondslag gelegd:
- Betrokkene heeft zijn rijbewijs nodig voor werk;
- Hij voelde zich goed in staat om te rijden met een verhoogd promillage. Dit is een aanwijzing voor verhoogde tolerantie;
- Hij heeft een aanzienlijke afstand gereden. Dit is een aanwijzing voor verhoogde tolerantie;
- Bij een alcoholgehalte van 1,8 ‰ of meer vertonen de meeste niet-tolerante individuen een ernstige intoxicatie;
- Deze tolerantie is indicatief voor een voorafgaande periode van overmatig alcoholgebruik; er is dus sprake van onderrapportage van het alcoholgebruik;
- De tolerantie kan niet worden verklaard door het door eiser bij de anamnese opgegeven matige alcoholgebruik (volgens eiser: 1 x per 3 weken, gemiddeld 4 glazen bier). Dit is een aanwijzing voor onderrapportage;
- Opgegeven gemiddeld matige alcoholgebruik terwijl hij is aangehouden met een uitschieter in drankgebruik is (gezien de pakkans) niet waarschijnlijk;
- Eiser is 3 jaar geleden gewaarschuwd in verband met openbare dronkenschap.
Bij brief van 1 oktober 2019 heeft de psychiater [A] een reactie gegeven. Daarbij heeft hij verklaard nog steeds volledig achter de conclusies van het rapport te staan.
3 Uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1570) volgt dat slechts aanleiding bestaat om een op een psychiatrisch rapport gebaseerd besluit van het CBR niet in stand te laten, indien het psychiatrisch rapport naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren.
Daarnaast is het niet aan het CBR of de rechter om te beoordelen of voor het psychiatrisch oordeel voldoende feitelijke grondslag bestaat.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009: BJ3386) kan verder worden afgeleid dat in ieder geval relevante, ondersteunende elementen nodig zijn voor de psychiatrische diagnose alcoholmisbruik in ruime zin.
In haar uitspraak van 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339, formuleert de Afdeling de volgende algemene uitgangspunten voor de beoordeling van een psychiatrisch rapport in het kader van CBR-keuringen.
De Afdeling overweegt in deze uitspraak dat het diagnosticeren van stoornissen in het gebruik van alcohol in het kader van CBR-keuringen is gericht op het algemene belang van de verkeersveiligheid. De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ ten behoeve van CBR-zaken is een beschrijvende diagnose waarbij alle gegevens worden gebruikt die wijzen in de richting van problemen rond alcoholgebruik, terwijl aanwijzingen dat het onwaarschijnlijk is dat bij betrokkene sprake is van met alcoholgebruik gerelateerde problemen niet aanwezig zijn. Om tot een diagnose te kunnen komen heeft de psychiater de anamnese, het lichamelijk en psychiatrisch onderzoek, en het laboratoriumonderzoek als instrumenten tot zijn beschikking.
De diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ kan in de praktijk niet uitsluitend worden gesteld op grond van de anamnese in combinatie met een sterk verhoogd ademalcoholgehalte. Reden daarvoor is dat de betrouwbaarheid van de anamnestische gegevens in de keuringssituatie laag is, omdat de bestuurder in kwestie het rijbewijs doorgaans wenst te behouden. Verder is het ademalcoholgehalte steeds een momentopname. Daarom kan de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ alleen worden verkregen met de hulp van meerdere aanwijzingen die deze diagnose ondersteunen en die een aanwijzing kunnen vormen voor aanwezigheid van alcoholproblemen. Deze aanwijzingen kunnen onder meer worden gevonden in de omstandigheden van de aanhouding. Daarbij valt te denken aan contextuele zaken of observaties van de verbalisanten, zoals het (relatief) ontbreken van intoxicatieverschijnselen tijdens de aanhouding, die in het proces-verbaal zijn genoteerd. Daarnaast is het goed of langdurig kunnen functioneren met hoge promillages alcohol een aanwijzing voor alcoholtolerantie en daarmee voor de aanwezigheid van problemen met het gebruik van alcohol. In dat verband kan worden gedacht aan het kunnen besturen van een auto onder invloed van hoge promillages alcohol.
Voorts zijn afwijkende bloedwaarden die voorkomen bij mensen met een chronisch hoge alcoholconsumptie een aanwijzing voor de aanwezigheid van alcoholproblemen. Het ontbreken van dergelijke afwijkende bloedwaarden in de laboratoriumuitslagen betekent daarentegen niet dat de diagnose ‘alcoholmisbruik in ruime zin’ niet kan worden gesteld, omdat enkele weken alcoholabstinentie al kan leiden tot normalisering van de bloedwaarden.
4 De voorzieningenrechter overweegt het volgende.
Vast staat dat bij eiser bij zijn aanhouding een veel te hoog alcoholgehalte (860 µg/l = 1,978 ‰) is geconstateerd. Gezien het tijdsverloop tussen het laatste drankje (volgens eiser om 6.00 uur) en het moment van de aanhouding (12.55 uur) moet het er voor gehouden worden dat dit gehalte aanvankelijk nog veel hoger moet zijn geweest. Bij de meeste niet-tolerante personen zou deze hoeveelheid ernstige intoxicatie (vergiftigingsverschijnselen) tot gevolg hebben gehad, aldus de psychiater. Desondanks was eiser in staat om in de auto te stappen, die te starten en een aanzienlijke afstand te rijden. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat het hoge alcoholpromillage en het (relatief) ontbreken van intoxicatieverschijnselen ten tijde van de aanhouding duidt op tolerantie. Ondanks de grote hoeveelheid alcohol die hij had ingenomen, voelde eiser zich immers op de dag van zijn aanhouding goed in staat om te rijden. Deze verhoogde tolerantie moet in de periode voorafgaand aan de aanhouding door het gebruik van alcohol zijn opgebouwd. Het is daarom aannemelijk dat eiser in deze periode meer alcohol heeft gebruikt dan hij zelf heeft opgegeven (onderrapportage).
De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat de psychiater in de omstandigheid dat eiser na fors alcoholgebruik is gaan rijden - met zijn bedrijfsbus nota bene - een aanwijzing heeft gezien voor de aanwezigheid van problemen met het gebruik van alcohol, omdat eiser daardoor zijn rijbewijs op het spel heeft gezet terwijl hij dat nodig heeft voor zijn werk.
De psychiater heeft zijn conclusie dat sprake is van alcoholmisbruik in ruime zin dus niet slechts gebaseerd op de anamnese in combinatie met het hoge alcoholpromillage, maar ook op andere aanwijzingen. De diagnose van de psychiater berust op meerdere aanwijzingen als bedoeld in de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 24 april 2019. De rechtbank ziet in het betoog van eiser op dit punt daarom geen grond om te oordelen dat verweerster niet van de juistheid van de conclusie van de psychiater heeft mogen uitgaan.
Dat de gegevens verkregen uit laboratoriumonderzoek niet wijzen op alcoholmisbruik maakt dit niet anders, omdat de bloedwaarden pas enkele maanden na de aanhouding zijn gemeten en enkele weken alcoholabstinentie al kan leiden tot normalisering van de bloedwaarden.
Uit het door eiser overgelegde verslag van bevindingen van psychiater [B] van 4 december 2019 blijkt niet van gebreken of tegenstrijdigheden in het rapport van de psychiater [A] . In eerstgenoemd verslag wordt weliswaar tot een andere conclusie gekomen, maar deze afwijkende conclusie is grotendeels gebaseerd op een andere anamnese en andersluidende verklaringen van eiser.
Dat psychiater [A] bepaalde antwoorden van eiser verkeerd zou hebben begrepen of dat zijn antwoorden verkeerd zouden zijn genoteerd, is niet aannemelijk geworden. Vast staat dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van zijn correctierecht. Van schending van het inzage- en correctierecht of blokkeringsrecht is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake, nu niet aannemelijk is gemaakt dat eiser hierover door de psychiater onjuist zou zijn geïnformeerd. De enkele stelling van eiser dat het onderzoek bij [A] maar kort zou hebben geduurd, maakt niet dat aannemelijk is geworden dat sprake is van een onzorgvuldig onderzoek.
Verweerster heeft zich dus in redelijkheid mogen baseren op het inzichtelijke en voldoende concludente rapport van de psychiater [A] . Nu deze de diagnose alcoholmisbruik in ruime zin heeft gesteld, was verweerster gehouden tot ongeldigverklaring van het rijbewijs over te gaan. Voor een verdere belangenafweging is hierbij geen plaats, zo blijkt uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1854).
5 Het beroep is ongegrond. Daarom is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.
6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond.
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
De uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.