Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 18 december 2019 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.
Rechtbank Den Haag
Eiser ontving op 3 december 2018 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘tijdelijke humanitaire gronden’ na aangifte van mensenhandel. Op 14 januari 2019 besloot het Openbaar Ministerie geen strafrechtelijk onderzoek te starten omdat de feiten in Italië waren gepleegd en noch eiser noch de vermeende daders de Nederlandse nationaliteit bezaten. Naar aanleiding hiervan trok de staatssecretaris de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 14 januari 2019 in.
Eiser voerde aan dat hij zich op de Slachtofferrichtlijn kon beroepen en dat de intrekking onrechtmatig was omdat hij slachtoffer was en de belangenafweging onvoldoende was gemaakt. Hij stelde tevens dat de rechtbank een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie had moeten stellen over de uitleg van artikel 11 van Pro de richtlijn. De rechtbank oordeelde dat de richtlijn geen betrekking heeft op verblijfsrecht en dat eiser zich er niet rechtstreeks op kan beroepen omdat deze correct is geïmplementeerd.
Verder werd geoordeeld dat het beleid dat na een sepotbeslissing geen rechtmatig verblijf meer bestaat, niet onredelijk is en dat de staatssecretaris terecht heeft gehandeld conform dit beleid. Ook is het afzien van het horen van eiser in bezwaar gerechtvaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.