ECLI:NL:RBDHA:2019:14297
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring ondanks voorlopige voorziening
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, werd op 10 oktober 2019 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste of sinds 25 oktober 2019 de bewaring nog rechtmatig was, mede gelet op een op 21 oktober 2019 toegewezen voorlopige voorziening die uitzetting tijdelijk verbood.
Eiser betoogde dat deze voorlopige voorziening betekende dat hij niet langer onrechtmatig verbleef, waardoor de wettelijke grondslag voor bewaring verviel. Verweerder stelde echter dat de voorlopige voorziening geen rechtmatig verblijf creëert en dat de bewaring daarom terecht voortduurt. De rechtbank volgde de jurisprudentie dat een voorlopige voorziening in een artikel 64-procedure niet gelijkstaat aan een verblijfsrecht en dat de bewaring daarom rechtmatig blijft.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring.