ECLI:NL:RBSGR:2011:BU5804
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Eiser is op 16 augustus 2011 in vreemdelingenbewaring gesteld en heeft eerder beroep ingesteld tegen deze bewaring, dat ongegrond werd verklaard. Op 26 oktober 2011 stelde eiser beroep in tegen het voortduren van de vrijheidsontneming en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder eiser te horen, mede gelet op een voortgangsrapportage van verweerder.
Eiser stelde dat hij sinds 20 september 2011 rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat een voorlopige voorziening was toegewezen die uitzetting opschortte totdat op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot toepassing van artikel 64 Vw Pro 2000 zou zijn beslist. De rechtbank oordeelde echter dat onder 'bezwaarschrift' in artikel 8 Vw Pro 2000 uitsluitend een bezwaar tegen een beslissing tot het al dan niet verlenen van een verblijfstitel valt, en niet tegen een afwijzing van een aanvraag tot toepassing van artikel 64.
De rechtbank verwees daarbij naar de parlementaire geschiedenis en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat artikel 64 geen Pro verblijfstitel verleent maar alleen uitzetting opschort, heeft eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h. Ook andere gronden voor rechtmatig verblijf in artikel 8 waren Pro niet van toepassing. De rechtbank oordeelde dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig of ongerechtvaardigd was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen omdat geen omstandigheden als bedoeld in artikel 106 Vw Pro 2000 waren gesteld.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.