ECLI:NL:RBDHA:2019:13996
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring Poolse vreemdeling wegens actuele bedreiging samenleving
De zaak betreft een Poolse vreemdeling die op grond van het Unierecht verblijfsrecht genoot in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft dit verblijfsrecht beëindigd en de vreemdeling ongewenst verklaard vanwege een ISD-maatregel en zijn strafrechtelijke verleden. De vreemdeling betoogde dat hij geen actuele bedreiging vormde en dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, onder meer vanwege het re-integratietraject en schending van het motiverings- en hoorplichtbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat de beëindiging van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring terecht zijn genomen. De vreemdeling heeft veertien onherroepelijke veroordelingen en een ISD-maatregel wegens winkeldiefstal, gekoppeld aan een heroïneverslaving. Er is onvoldoende bewijs van positieve gedragsverandering. De rechtbank stelt dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden en dat de hoorplicht niet verplicht was omdat de vreemdeling geen nieuwe feiten aanvoerde.
De rechtbank concludeert dat de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De persoonlijke omstandigheden en het beroep op artikel 8 EVRM Pro leiden niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.