ECLI:NL:RBDHA:2019:11164
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens ernstige bedreiging samenleving
Eiser, een Poolse staatsburger, verbleef naar eigen zeggen al tien jaar in Nederland maar kon dit niet aannemelijk maken. Verweerder beëindigde zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst omdat hij een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving, gebaseerd op meerdere onherroepelijke veroordelingen voor ernstige misdrijven.
Eiser voerde aan dat hij geen bedreiging vormt en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd welk fundamenteel belang wordt bedreigd. Ook stelde hij dat hij gehoord had moeten worden en dat de toegepaste verblijfsduur onjuist was. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de verblijfsduur van drie tot vier jaar toepaste en dat de motivering over de bedreiging voldoende was, mede gelet op het recidiverisico en een opgelegde ISD-maatregel.
Verder was het niet aannemelijk dat eiser door het ontbreken van een aparte rapportage van de reclassering in zijn belangen was geschaad, aangezien het reclasseringsrapport onderdeel was van het strafvonnis dat eiser kon inzien. De rechtbank vond dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar geen nieuwe feiten bevatte die tot een ander besluit konden leiden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van het verblijfsrecht en de ongewenstverklaring is ongegrond verklaard.