ECLI:NL:RBDHA:2019:13793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2019
Publicatiedatum
20 december 2019
Zaaknummer
C/09/583366 / KG ZA 19-1113
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrouw hoeft voorlopig niet mee te werken aan verkoop voormalige echtelijke woning

Partijen, voormalige partners met drie kinderen, zijn gezamenlijk eigenaar van een woning die na hun relatiebreuk in 2017 door de vrouw met de kinderen bewoond wordt. De man vordert in kort geding dat de vrouw meewerkt aan de verkoop van de woning en deze verlaat indien zij niet meewerkt, omdat hij de hypotheeklasten niet langer alleen wil dragen en behoefte heeft aan zijn deel van de overwaarde.

De vrouw voert verweer en stelt dat zij tijd nodig heeft om passende woonruimte te vinden en dat zij en twee kinderen psychische problemen hebben, waardoor een gedwongen ontruiming ingrijpende gevolgen kan hebben. De rechtbank oordeelt dat de vrouw serieus werk maakt van het vinden van woonruimte en dat haar belang en dat van de kinderen zwaarder wegen dan het belang van de man bij een spoedige verkoop.

De man heeft onvoldoende onderbouwd dat hij dakloos is en dat een executoriale verkoop dreigt. De rechtbank wijst de vorderingen van de man af en bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt. De vrouw hoeft voorlopig niet mee te werken aan verkoop en mag in de woning blijven wonen.

Uitkomst: De vorderingen van de man worden afgewezen en de vrouw hoeft voorlopig niet mee te werken aan de verkoop van de woning.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/583366 / KG ZA 19-1113
Vonnis in kort geding van 19 december 2019(bij vervroeging)
in de zaak van
[de man]te [plaats],
eiser in conventie,
verweerder in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. W.N. Sardjoe te Den Haag,
tegen:
[de vrouw]te [plaats],
gedaagde in conventie,
eiser in voorwaardelijke reconventie,
advocaat mr. M.W. Fakiri te Den Haag.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de man' en 'de vrouw'.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met producties;
- de brief van de vrouw van 11 december 2019, met als bijlagen een akte houdende een voorwaardelijke eis in reconventie en producties;
- de op 13 december 2019 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de vrouw pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Ter zitting is vonnis bepaald op 23 december 2019, welke datum nadien is vervroegd tot heden.

2.De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad waaruit drie kinderen zijn geboren, waarvan er inmiddels twee meerderjarig zijn.
2.2.
Partijen hebben in gezamenlijk eigendom verkregen de woning aan de [adres] (hierna 'de woning').
2.3.
In augustus 2017 is de relatie tussen partijen verbroken, waarna de vrouw - met de drie kinderen - in de woning is gebleven.

3.Het geschil

In conventie
3.1.
De man vordert, zakelijk weergegeven:
I. op straffe van verbeurte van een dwangsom te bepalen dat de vrouw meewerkt aan de verkoop van de woning;
II. aan hem vervangende toestemming te verlenen om de woning te verkopen en te leveren en hem te machtigen tot het te gelde maken van de woning, met bepaling dat het te wijzen vonnis in de plaats treedt van alle ontbrekende wilsverklaringen van de vrouw die nodig zijn voor de verkoop en levering van de woning;
III. de vrouw te veroordelen de woning te verlaten indien zij niet meewerkt aan de verkoop en levering ervan;
IV. te bepalen dat de verkoopkosten en de overwaarde van de woning bij helfte zullen worden verdeeld tussen partijen;
een en ander met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.
3.2.
Daartoe voert de man - samengevat - het volgende aan.
De woning zal moeten worden verkocht. Partijen hebben daarover ook overleg gevoerd en hebben overeenstemming bereikt over een vraag- en laatprijs van € 399.500,--, respectievelijk € 375.000,--, alsmede over de bemiddeling bij de verkoop door makelaar [de Makelaar]. Op een gegeven moment heeft de vrouw haar medewerking aan de verkoop van de woning stopgezet en sindsdien werkt ze nergens meer aan mee. Van de man kan niet worden verlangd dat hij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de op de woning rustende hypothecaire lening van € 206.000,--. Te minder nu hij de woning al in 2017 heeft verlaten. Bovendien rust op de woning een aanzienlijke meerwaarde, waarvan de helft aan de man toekomt. De man heeft er recht op en belang bij dat hij hierover snel beschikt, mede waar hij thans geen inkomen heeft, al jaren dakloos is en een zwervend bestaan leidt. Hij wordt thans ondersteund door familie. Met zijn helft van de overwaarde kan hij door met zijn leven. Bovendien bestaat het gevaar dat de woning executoriaal zal worden verkocht, dan wel dat de overwaarde slinkt.
3.3.
De vrouw voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.
In voorwaardelijke reconventie
3.4.
De vrouw vordert voorwaardelijk - voor zover de vorderingen van de man in conventie zullen worden toegewezen - betaling door de man van een bedrag van € 8.291,50, te vermeerderen met rente en met veroordeling van de man in de kosten
3.5.
Daartoe voert de vrouw - samengevat - aan dat zij na het vertrek van de man uit de woning de hypotheeklasten volledig heeft gedragen, wat neerkomt op een totaalbedrag van € 16.583,--, en dat de man gehouden is daaraan voor helft bij te dragen.
3.6.
De man voert verweer, dat - voor zover nodig - hierna zal worden besproken.

4.De beoordeling van het geschil

In conventie
4.1.
Partijen zijn het er over eens dat de woning (onderhands) zal moeten worden verkocht aan een derde. Voorts bestaat tussen hen overeenstemming over de vraag- en laatprijs, terwijl de verdeling van de overwaarde (bij helfte) evenmin ter discussie staat. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw uitdrukkelijk toegezegd mee te (zullen) werken aan de verkoop van de woning, zij het dat zij zich op het standpunt stelt dat haar nog enige tijd moet worden gegund om passende woonruimte voor haar en de drie kinderen van partijen te vinden. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan die toezegging van de vrouw te twijfelen. Te minder nu uit de door haar - als producties 5 en 6 - overgelegde producties volgt dat zij daarvan ook serieus werk maakt. Op zichzelf is juist dat - zoals de man aanvoert - de vrouw eerder stappen had kunnen ondernemen voor het vinden van andere, passende, woonruimte, maar bezien in het licht van het voorgaande kan de stelling van de man dat de vrouw nergens meer aan meewerkt niet voor juist worden gehouden.
4.2.
Daar komt bij dat de vrouw aannemelijk heeft gemaakt dat zij en twee van de bij haar wonende kinderen psychische problemen hebben en dat een gedwongen ontruiming van de woning zonder dat andere passende problemen beschikbaar is voor de vrouw en de (drie) kinderen ingrijpende gevolgen heeft, althans kan hebben. Dat twee van de drie kinderen al meerderjarig zijn doet daaraan niet af, nu ervan met worden uitgegaan dat zij (grotendeels) onder de zorg van de vrouw vallen. Het lijkt evident dat het vinden van andere, geschikte, woonruimte enige tijd kan vergen, gelet op de grootte van de gezinssamenstelling. Bovendien heeft de vrouw de stelling van de man dat hij (al jaren) dakloos is en een zwervend bestaan leidt bestreden. Gelet hierop had van de man mogen worden verwacht dat hij zijn stelling nader had onderbouwd, mede bezien tegen de achtergrond dat hij in de (aanhef van de) dagvaarding aangeeft dat hij
woontte [plaats]. Dat heeft hij echter nagelaten. Ten slotte is van belang dat de vrouw de op de woning drukkende lasten volledig voor haar rekening neemt en dat daarin op dit moment geen achterstand bestaat, terwijl (relevante) feiten en/of omstandigheden die zouden kunnen meebrengen dat dit in de nabije toekomst anders zal zijn, zijn gesteld noch gebleken. Gelet hierop kan de man niet worden gevolgd in zijn stelling dat een executoriale verkoop van de woning dreigt, dan wel dat de overwaarde van de woning slinkt als gevolg van het niet voldoen door de vrouw aan de hypothecaire verplichtingen.
4.3.
Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter - voorshands - van oordeel dat de belangen van de vrouw bij een (voorlopig) langer verblijf in de woning als zwaarwegender moet worden aangemerkt dan het belang van de man bij een spoedige verkoop en levering van de woning aan een derde. Redelijkerwijs kan en mag deze situatie echter niet heel veel langer duren, nu de man de woning medio 2017 al heeft verlaten. Aangenomen moet worden dat de vrouw in ieder geval binnen nu en een half jaar de beschikking heeft over geschikte vervangende woonruimte. Indien dit niet het geval is en er zijn aanwijzingen dat de vrouw daar (mede) debet aan is, zou voormelde belangenafweging anders kunnen uitpakken. Daar komt bij dat het partijen, althans één van hen, vrijstaat een bodemprocedure strekkende tot verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, waarvan in ieder geval de woning deel uitmaakt, aanhangig te maken, waarbij de vrouw desgewenst - op de voet van artikel 3:178 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek - kan vorderen de woning vooralsnog uit te sluiten bij de verdeling.
4.4.
De slotsom is dat de vorderingen van de man, zoals die nu voorliggen, zullen worden afgewezen.
4.5.
In de omstandigheid dat partijen gewezen partners zijn, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
In voorwaardelijke reconventie
4.6.
Nu uit hetgeen hiervoor in conventie is overwogen volgt dat de vorderingen van de man zullen worden afgewezen, treedt de voorwaarde waaronder de vrouw haar vordering heeft ingesteld niet in. Daarmee kan de (voorwaardelijke) reconventionele vordering verder buiten beschouwing blijven.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
wijst de vorderingen van de man af;
5.2.
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2019.
jvl