ECLI:NL:RBDHA:2019:13687
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opschorting executie gevangenisstraf wegens vermeende toezegging OM
In deze zaak vordert eiser de opschorting of beëindiging van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf die hem is opgelegd door de rechtbank Noord-Nederland. Eiser stelt dat het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de strafzaak heeft toegezegd dat hij het restant van zijn gevangenisstraf niet meer hoeft uit te zitten vanwege zijn coöperatieve houding en belastende verklaringen.
De rechtbank overweegt dat een onherroepelijke strafvonnis in beginsel moet worden uitgevoerd en dat uitzonderingen daarop slechts mogelijk zijn indien de wet dit toestaat of het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een uitspraak heeft gedaan die een eerlijke behandeling in de weg staat. Een nog in te dienen herzieningsverzoek kan de executieplicht niet opschorten.
De rechtbank stelt vast dat de door eiser gestelde toezegging niet aannemelijk is gemaakt en door de Staat gemotiveerd is weersproken. De overgelegde stukken, waaronder WhatsApp-berichten en een brief van de voormalige advocaat, ondersteunen de stelling van eiser niet. Ook is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 226g Sv voor een dergelijke afspraak.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten. De executie van de gevangenisstraf zal derhalve worden voortgezet zoals gepland.
Uitkomst: Verzoek tot opschorting of beëindiging van de executie van de gevangenisstraf wordt afgewezen.