ECLI:NL:RBDHA:2019:13402
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering jachtakte wegens twijfel aan verantwoord gebruik ondanks vertrouwensbeginsel
Eiser, voormalig houder van een jachtakte, verzocht om verlenging van zijn jachtakte, welke door de korpschef werd geweigerd op grond van artikel 3.28 Wnb vanwege zorgen over misbruik en gevaar voor veiligheid. De minister verklaarde het administratief beroep ongegrond, waarna eiser beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de korpschef redelijk heeft gehandeld en dat de minister de weigering terecht handhaafde. De beslissing was gebaseerd op strafrechtelijke veroordelingen van eiser voor bedreiging en mishandeling, een incident waarbij eiser met zijn auto schade veroorzaakte en bedreigingen uitte, en een recente veroordeling wegens vernieling. Deze feiten vormden een objectief toetsbare grond voor twijfel aan het verantwoord zijn van het verlof.
Eiser voerde aan dat het vertrouwensbeginsel hem recht gaf op verlenging, omdat eerdere aanvragen werden goedgekeurd en de beoordelaar was gewijzigd. De rechtbank verwierp dit beroep, stellende dat eerdere fouten niet herhaald hoeven te worden en dat de brief van de vorige beoordelaar niet relevant was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de jachtakte wordt ongegrond verklaard.