ECLI:NL:RBDHA:2019:11900
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsvergunning op grond van ontbreken bijzondere afhankelijkheidsrelatie met meerderjarige broer
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, vroeg een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf bij zijn meerderjarige broer B, die in Nederland verblijft wegens medische behandeling. Eerder was zijn verblijfsvergunning ingetrokken vanwege verbreking van een relatie. Eiser stelde dat hij een verzorgingsband met B heeft en dat terugkeer naar zijn land van herkomst onredelijk zou zijn vanwege psychosociale problematiek.
Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling kon worden verleend. De rechtbank bevestigt dat niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en B die de normale familiebanden overstijgt, zoals vereist onder artikel 8 EVRM Pro. Uit verklaringen van behandelaars blijkt dat B kan terugvallen op algemene zorgvoorzieningen en familieleden.
Eiser voerde aan dat verweerder het bezwaar onzorgvuldig behandelde en hem ten onrechte niet heeft gehoord, maar de rechtbank oordeelt dat dit niet aannemelijk is omdat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie.