Eiser, van Libische nationaliteit, diende een asielaanvraag in met het argument dat hij gevaar loopt vanwege familiebanden met aanhangers van Al-Qadhafi. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond omdat eiser bewust onjuiste en tegenstrijdige informatie gaf over zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht twijfelde aan de geloofwaardigheid van de verstrekte gegevens en dat eiser niet aannemelijk maakte dat hij recht had op bescherming.
Eiser stelde dat verweerder een taalanalyse had moeten aanbieden en dat de gekozen afdoeningsmodaliteit onjuist was. Ook verwees hij naar het arrest Gnandi over het ontbreken van een vertrektermijn en schorsende werking van het beroep. De rechtbank verwierp deze bezwaren, stellende dat verweerder niet verplicht was een taalanalyse aan te bieden en dat het ontbreken van een vertrektermijn en schorsende werking niet tot nadeel van eiser leidde.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de asielaanvraag terecht kon afwijzen op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet, omdat eiser willens en wetens onjuiste informatie had verstrekt. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser.