ECLI:NL:RBDHA:2019:11233
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijwillige ontslagronde kwalificeert als regeling vervroegde uittreding met RVU-heffing over opzegtermijnloon
Eiseres, onderdeel van een wereldwijd opererend concern in de glasproductie, voerde in 2014 een vrijwillige ontslagronde uit om het personeelsbestand in te krimpen. Hierbij maakten 45 werknemers gebruik van een afvloeiingsregeling met vrijstelling van werkzaamheden gedurende de opzegtermijn tegen behoud van salaris en emolumenten. Verweerder stelde dat deze regeling een regeling vervroegde uittreding (RVU) is en dat de loonbetalingen tijdens de opzegtermijn tot de grondslag van de RVU-heffing behoren.
De rechtbank onderzocht of de vrijwillige ontslagronde en de gedwongen ontslagen in 2017 één reorganisatie vormden. Gelet op het ontbreken van een besluit tot sluiting van de fabriek in 2014 en de latere sluiting in 2017, oordeelde de rechtbank dat het om twee afzonderlijke ontslagrondes ging. De vrijwillige ontslagronde moest daarom afzonderlijk worden beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat de vrijwillige ontslagregeling vanaf de daadwerkelijke uitdiensttreding tot pensioendatum als RVU kwalificeert. Het geschil betrof of ook het loon tijdens de opzegtermijn als RVU-heffinggrondslag geldt. Omdat werknemers tijdens de opzegtermijn waren vrijgesteld van werk en toch salaris ontvingen, maakte dit loon onderdeel uit van de RVU-regeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de toepassing van de RVU-heffing over het loon gedurende de opzegtermijn.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de toepassing van de RVU-heffing op het loon tijdens de opzegtermijn.