ECLI:NL:RBDHA:2019:10971
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Libanon
Verzoekers, die in 2012 Nederland zijn binnengekomen en de Syrische nationaliteit bezitten, werden geconfronteerd met een feitelijke uitzetting naar Libanon. Hun verblijfsvergunningen waren met terugwerkende kracht ingetrokken wegens het verzwijgen van hun Libanese nationaliteit. Verzoekers maakten bezwaar tegen de uitzetting en vroegen om een voorlopige voorziening om de uitzetting uit te stellen.
De voorzieningenrechter overwoog dat het bezwaar beperkt is tot de wijze waarop de uitzetting wordt uitgevoerd of nieuwe feiten die de rechtmatigheid van de uitzetting kunnen beïnvloeden. Verzoekers voerden aan dat zij een opvolgende asielaanvraag hadden ingediend en dat zij niet de Libanese nationaliteit bezitten, ondersteund door een brief van een advocaat. Echter, deze stellingen waren eerder ingebracht en reeds beoordeeld. Bovendien hadden de Libanese autoriteiten laissez-passers verstrekt op basis van hun Libanese nationaliteit.
Daarnaast kon het verzoek om uitstel van vertrek van de echtgenoot/vader wegens medische redenen niet worden toegerekend aan verzoekers, aangezien hij zonder bericht was vertrokken en niet langer als gezinslid kon worden beschouwd. Gezien deze omstandigheden had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de feitelijke uitzetting naar Libanon wordt afgewezen.