ECLI:NL:RBDHA:2019:10968
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Oekraïne wegens onvoldoende nieuwe feiten en medische bezwaren
Verzoeker, een uitgeprocedeerde asielzoeker en burger van Oekraïne, heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen feitelijke uitzetting naar Oekraïne. Hij beroept zich op artikel 8 EVRM Pro, met name de bescherming van zijn gezins- en privéleven, en op medische problemen waarvoor in Oekraïne geen adequate behandeling beschikbaar zou zijn.
De rechtbank overweegt dat bezwaar tegen feitelijke uitzetting slechts mogelijk is indien nieuwe feiten of omstandigheden zijn die de rechtmatigheid van de uitzetting in twijfel trekken. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten aangevoerd en onvoldoende bewijs geleverd voor het bestaan van een beschermd gezinsleven of een schending van zijn privéleven. Ook het medische advies van het Bureau Medische Advisering concludeert dat geen medische noodsituatie zal ontstaan bij terugkeer.
Daarom heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen feitelijke uitzetting naar Oekraïne wordt afgewezen wegens ontbreken van nieuwe feiten en onvoldoende medische onderbouwing.