Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis werd afgewezen. De kern van het geschil betrof het ontbreken van officiële identiteitsdocumenten en onvoldoende substantieel indicatief bewijs van haar identiteit en de gestelde familierechtelijke relatie met haar echtgenoot, de referent.
De rechtbank oordeelde dat eiseres geen officiële identiteitsdocumenten had overgelegd, terwijl uit ambtsberichten blijkt dat Eritreeërs vanaf 18 jaar doorgaans over dergelijke documenten beschikken. De enkele stelling dat zij deze nooit heeft aangevraagd, was onvoldoende om bewijsnood aan te nemen. De aangeleverde kerkelijke huwelijksakte, verklaring van het huwelijk, rantsoenkaart en registratie in een vluchtelingenkamp werden niet als substantieel bewijs erkend omdat deze documenten niet door Eritrese autoriteiten waren afgegeven en gebaseerd leken op eigen verklaringen.
Ook een kopie van een bewonerspas, overgelegd in beroep, werd niet als substantieel bewijs beschouwd vanwege het ontbreken van een pasfoto en daarmee de onmogelijkheid vast te stellen dat deze pas aan eiseres toebehoorde. Door het ontbreken van voldoende bewijs kon ook de gestelde familierechtelijke relatie niet worden aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter K.M. de Jager op 8 oktober 2019 in Middelburg. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.