ECLI:NL:RBDHA:2019:1048
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens gebruik buitenlands voertuig in Nederland
Eiser is sinds 1997 ingeschreven in de Basisregistratie Personen en woont sinds 2013 op een adres in Nederland. Op 29 juli 2017 werd vastgesteld dat eiser met een Poolse auto op de Nederlandse openbare weg reed. Verweerder legde daarop een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een verzuimboete op.
Eiser stelde dat de auto eigendom was van zijn dochter en zich gedurende de naheffingsperiode in Polen bevond, en dat hij de auto slechts enkele uren had geleend. Hij voerde ook aan dat het vertrouwensbeginsel was geschonden door een brief van verweerder en dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende was gemotiveerd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht eiser als houder van het voertuig aanmerkte, omdat eiser feitelijk ter beschikking had van het voertuig en zijn hoofdverblijf in Nederland was. De door eiser overgelegde verklaringen waren onvoldoende en strookten niet met het proces-verbaal waarin stond dat de auto regelmatig bij zijn woning stond.
De brief van verweerder betrof de BPM en niet de motorrijtuigenbelasting, zodat geen sprake was van opgewekt vertrouwen. De rechtbank vond de motivering van het bezwaar voldoende en zag geen schending van de hoorplicht. De opgelegde boete werd passend geacht omdat geen sprake was van afwezigheid van alle schuld en eiser onvoldoende inzicht gaf in zijn financiële situatie.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting wordt ongegrond verklaard.