ECLI:NL:GHDHA:2020:232
Gerechtshof Den Haag
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting wegens feitelijk gebruik auto in Nederland
Belanghebbende is een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd over de periode van 20 november 2015 tot en met 28 juli 2017, tezamen met een verzuimboete van gelijke hoogte. De rechtbank wees het beroep van belanghebbende af, waarna hij in hoger beroep ging.
Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als houder van het in Polen geregistreerde voertuig kon worden aangemerkt, waarbij het hof bevestigde dat feitelijk gebruik en beschikking over het voertuig in Nederland voldoende zijn voor het aanmerken als houder. Belanghebbende voerde aan dat de auto eigendom was van zijn dochter die in Polen woonde en dat hij slechts incidenteel gebruik had gemaakt van de auto.
Het hof nam het proces-verbaal van bevindingen en andere stukken in overweging en oordeelde dat de verklaringen van belanghebbende inconsistent waren en onvoldoende aannemelijk maakten dat hij niet feitelijk de beschikking had over het voertuig gedurende de naheffingsperiode. Ook de opgelegde boete werd passend bevonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt de naheffingsaanslag en verzuimboete motorrijtuigenbelasting tegen belanghebbende.