De zaak betreft een beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden waarbij eiser hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de terugvordering van te veel betaalde bijstandsuitkering aan [X]. Verweerder had het recht van [X] op bijstand ingetrokken en een bedrag van € 13.320,83 teruggevorderd.
Eerder had de rechtbank in een uitspraak van 23 april 2018 het beroep van [X] gegrond verklaard en de besluiten vernietigd omdat niet was komen vast te staan dat sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen [X] en eiser. Verweerder stelde dat het hoger beroep tegen die uitspraak schorsende werking heeft, waardoor het primaire besluit nog niet onherroepelijk is.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende bewijs heeft geleverd dat eiser en [X] een gezamenlijke huishouding voerden in de relevante periode. Daarom is de aansprakelijkstelling onterecht en wordt het beroep gegrond verklaard. De rechtbank herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Voorts wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.