ECLI:NL:RBDHA:2018:9667
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering op grond van specialiteitsbeginsel bij detentie na overlevering
Eiser, met de Nederlandse nationaliteit en woonachtig in België, werd in 2014 op grond van een Europees aanhoudingsbevel overgeleverd aan Nederland wegens overtreding van de Opiumwet. Na diverse voorlopige hechtenisbesluiten en schorsingen keerde eiser binnen 45 dagen na vrijlating terug naar België. In 2018 werd hij in Nederland aangehouden wegens nieuwe strafbare feiten en gedetineerd voor de uitvoering van vervangende hechtenis.
Eiser stelde dat toepassing van het specialiteitsbeginsel hem beschermt tegen detentie voor feiten die niet de reden waren van zijn overlevering, omdat hij zich op het moment van aanhouding niet vrijwillig in Nederland bevond maar slechts om te voldoen aan zijn meldplicht. De Staat betwistte dit en stelde dat eiser zich vrijwillig in Nederland bevond.
De rechtbank oordeelde dat het bezoek aan de ex-vriendin, los van de meldplicht, een vrijwillig verblijf in Nederland vormde. Ook uit eerdere bezoeken bleek dat eiser vaker vrijwillig in Nederland was. Hierdoor is het specialiteitsbeginsel niet van toepassing en is de detentie rechtmatig.
De vordering van eiser wordt afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van eiser tot vrijlating wordt afgewezen wegens vrijwillig verblijf in Nederland na overlevering.