ECLI:NL:RBDHA:2018:9125
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardig relaas over mishandeling en vervolging in Iran
Eiser, een Iraanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege vermeende mishandeling en vervolging door Iraanse autoriteiten wegens zijn westerse levensstijl en later vanwege bekering tot het christendom. Hij stelde dat hij op 6 augustus 2015 zwaar mishandeld en verkracht werd door de politie, waarna hij lange tijd in het ziekenhuis verbleef. Na vrijlating dook hij onder en verliet Iran legaal in november 2015.
De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het relaas, met name over de arrestatie, mishandeling en ziekenhuisopname. Eiser bracht een medisch rapport van het iMMO in dat zijn verhaal ondersteunde, maar de staatssecretaris bleef bij zijn oordeel, mede op basis van een eerder FMMU-advies en het ontbreken van medische stukken.
De rechtbank oordeelde dat het iMMO-rapport onvoldoende aanleiding gaf om het besluit te herzien. De verklaringen van eiser waren inconsistent en niet aannemelijk, onder meer omdat hij geen medische details kon geven over zijn ziekenhuisopname en de oproepen van de rechtbank vals bleken te zijn. Ook het nieuwe asielmotief van bekering tot het christendom werd buiten beschouwing gelaten omdat dit in een opvolgende procedure aan de orde kan komen.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van de kosten van het iMMO-rapport werd afgewezen. De rechtbank vond dat de staatssecretaris het besluit zorgvuldig had voorbereid en gemotiveerd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard vanwege ongeloofwaardigheid van het relaas.