ECLI:NL:RBDHA:2018:8751
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Ambtshalve toetsing intrekking afgeleide verblijfsvergunning en artikel 8 EVRM
Eiseres, van Iraanse nationaliteit, kreeg een afgeleide verblijfsvergunning asiel die met terugwerkende kracht werd ingetrokken nadat de verblijfsvergunning van haar echtgenoot was ingetrokken vanwege het verkrijgen van een paspoort en reizen naar Iran.
Eiseres voerde aan dat zij zelfstandig beschermingswaardig verblijf toekomt vanwege haar integratie, beheersing van de Nederlandse taal en haar geloofsbeleving. Verweerder stelde dat zij geen zelfstandige asielgronden had en dat de intrekking niet leidde tot een schending van het recht op gezinsleven omdat ook de verblijfsvergunningen van echtgenoot en stiefdochter waren ingetrokken.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking terecht is voor zover het zelfstandige asielgronden betreft, maar dat de ambtshalve toetsing aan artikel 8 EVRM Pro onvoldoende is uitgevoerd. Omdat het beroep van de echtgenoot en stiefdochter gegrond is verklaard op dit punt, leidt de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres tot schending van het gezinsleven. Daarom vernietigt de rechtbank dit deel van het besluit en beveelt een hernieuwde beslissing.
Nieuwe asielmotieven van eiseres, zoals bekering tot het christendom en chantage door haar ex-partner, zijn niet in deze procedure beoordeeld en kunnen in een nieuwe procedure worden ingebracht.
Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres wordt vernietigd voor zover deze leidt tot schending van artikel 8 EVRM en verweerder moet opnieuw beslissen.