ECLI:NL:RBDHA:2018:8750
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende motivering artikel 8 EVRM
Eisers, Iraanse nationaliteit, hadden verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd die met terugwerkende kracht tot 28 oktober 2016 werden ingetrokken omdat eiser een Iraans paspoort had verkregen en Iran was binnen- en uitgereisd. Verweerder stelde dat hierdoor de bescherming niet langer nodig was en dat geen sprake was van schending van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank stelde vast dat het eerdere besluit van 2 mei 2017 was vernietigd wegens onvoldoende toetsing aan het recht op gezinsleven en dat verweerder bij het bestreden besluit onvoldoende rekening had gehouden met het belang van eiseres, een minderjarige die sinds 2012 in Nederland verbleef en onderwijs volgde. De rechtbank oordeelde dat de motivering van verweerder omtrent de inmenging in het privéleven onvoldoende was en dat het belang van eiseres niet adequaat was onderzocht.
Verder werd een nieuw asielmotief betreffende bekering tot het christendom buiten beschouwing gelaten omdat dit in een nieuwe procedure moet worden behandeld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond voor zover het betrekking had op de weigering van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM Pro en vernietigde het bestreden besluit in zoverre. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het beroep voor het overige werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de ambtshalve weigering van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM betreft en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.