Uitspraak
1.Verloop van de procedure
2.De beoordeling
(Tweede Kamer, MvT, Kamerstukken II 2004-2005, Kamerstuk 29942, 3).
Rechtbank Den Haag
Bij vonnis van 28 april 2016 werd de schuldsaneringsregeling voor schuldenares uitgesproken met benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder. Op 16 april 2018 verzocht schuldenares om verkorting van de looptijd van deze regeling. De bewindvoerder reageerde schriftelijk op dit verzoek en op 12 juni 2018 vond een zitting plaats waar beide partijen werden gehoord.
De rechtbank oordeelt dat het verzoek op grond van artikel 349a lid 2 Faillissementswet niet-ontvankelijk is omdat het niet door een advocaat is ondertekend en aan de verkeerde instantie is gericht. Indien het verzoek echter wordt gebaseerd op artikel 354a Fw, is het wel ontvankelijk en moet de rechtbank hierover beslissen.
De rechtbank overweegt dat voortijdige beëindiging van de schuldsaneringsregeling slechts mogelijk is indien redelijkerwijs niet verwacht kan worden dat schuldenares aan haar verplichtingen kan voldoen. Schuldenares werkt 24 uur per week maar wordt geacht voltijds te kunnen werken en te solliciteren. Het boedelsaldo is momenteel meer dan € 2.000,- en kan stijgen, waardoor uitkering aan schuldeisers mogelijk blijft.
Gezien deze omstandigheden is er geen reden om de regeling voortijdig te beëindigen. Daarom wijst de rechtbank het verzoek af en verklaart schuldenares niet-ontvankelijk voor zover het verzoek op artikel 349a lid 2 Fw is gebaseerd.
Uitkomst: Verzoek tot verkorting van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.