ECLI:NL:RBDHA:2018:7490
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring bezwaar tegen DNA-afname bij minderjarige veroordeelde voor winkeldiefstal
Bezwaarde, een minderjarige veroordeelde voor meerdere winkeldiefstallen gepleegd binnen een korte tijd, maakte bezwaar tegen het bepalen en verwerken van haar DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. De officier van justitie stelde dat geen uitzonderingsgrond van toepassing was, terwijl de verdediging betoogde dat de aard van het misdrijf en bijzondere omstandigheden een uitzondering rechtvaardigden.
De rechtbank overwoog dat winkeldiefstal niet valt onder de uitzonderingen waarbij DNA-onderzoek niet bijdraagt aan opsporing en berechting, maar erkende dat bezwaarde een first offender was, de diefstallen incidenteel en binnen korte tijd gepleegd, en dat de kans op recidive nihil was gelet op haar sociale omstandigheden en berouw.
Gezien de beperkte reikwijdte van de uitzonderingsgrond en de jurisprudentie van de Hoge Raad, concludeerde de rechtbank dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zou zijn voor de opsporing en berechting van toekomstige strafbare feiten. Daarom werd het bezwaar gegrond verklaard en werd vernietiging van het afgenomen celmateriaal bevolen.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel werd gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moest worden vernietigd.